U bevindt zich hier: Lijst stappen Stap 8  

STAP 8

Hoofdaccent: werkwoorden

Indien u nog geen Duits spreekt of nog niet redelijk foutloos kan schrijven, is het aangewezen te starten met de inleidende algemene informatie en de eerste stap.

Veronderstel dat u een zakenreis plant en wegens de files op de autosnelwegen zoveel mogelijk gewone wegen wil gebruiken. U vraagt daartoe de mening van uw collega:

"Was halten Sie davon? Wir werden die Autobahnen nicht nutzen um den Staus zuvorzukommen."
[vas halthn zi: da:fon vɪɐ ve:ɐdn di: authoba:nən nɪçt nutsn um de:n ʃthaus tsu:fo:ɐtsu:khomən]

Op de kennis van het meervoud der substantieven uit de stappen 5 en 6 alsook de kennis van werkwoorden in de tegenwoordige tijd uit stap 7 volgt een uitgebreide oefening. Maar vooraf leren we een derde naamval kennen, buiten de reeds gekende nominatief en accusatief.

Meewerkend voorwerp

In een zin kennen we het onderwerp en het lijdend voorwerp. Meestal zijn daarbij substantieven of persoonlijke voornaamwoorden betrokken. Herinner u: het voorwerp dat de handeling in de zin ondergaat, is het lijdende voorwerp en wordt aldus in de accusatief verbogen. Maar er zijn ook voorwerpen (substantieven of persoonlijke voornaamwoorden) die de handeling in de zin niet ondergaan, echter wel het werkwoord helpen. Zij werken mee met het werkwoord. Wij noemen ze "meewerkende voorwerpen". Een voorbeeld maakt dit duidelijk: "Een auto bewijst de chauffeur een dienst." Wat is hier het onderwerp? Ja duidelijk: de auto. En wat is het lijdend voorwerp? Inderdaad: een dienst. En... aan wie wordt de dienst bewezen? Ha, daar komen we bij het "meewerkend voorwerp": de chauffeur! Dadelijk komen we op dit meewerkend voorwerp terug...

 

Voorzetsels

We hebben zo juist een voorbeeld van een meewerkend voorwerp in een Nederlandse zin gezien. Deze zin kunnen we een tikkeltje veranderen zonder de betekenis ervan te verdraaien: "Een auto bewijst aan de chauffeur een dienst." Ziet u wat er veranderd is? We hebben een woordje gebruikt, dat de betrekking tussen het werkwoord en het meewerkend voorwerp weergeeft, het woordje "aan". Dergelijke woorden, die een betrekking tussen een werkwoord en een substantief weergeven noemen we een "voorzetsel". In het Nederlands kent u er vele van: "aan, van, naar, op, in...".

Een voorzetsel kan ook een bepaalde betrekking tussen twee substantieven weergeven. Een voorbeeld: "de auto van de chauffeur". Hier is een relatie tussen de auto en de chauffeur weergegeven door het voorzetsel "van". Een ander voorbeeld: "De computer op de tafel".

Algemeen: een voorzetsel geeft steeds een bepaalde betrekking weer tussen twee substantieven, of tussen een werkwoord en een substantief.

In de Duitse voorbeeldzin helemaal bovenaan deze stap 8 komen twee voorzetsels voor, hoewel een beetje verborgen (op dat verborgene komen zo dadelijk terug). Het gaat om de voorzetsels von [fon] en zu [tsu:]. Die voorzetsels worden gevolgd door een heel nieuwe naamval: de datief.

 

NAAMVAL DATIEF

Een meewerkend voorwerp (dat is haast altijd een substantief) en een substantief achter een aantal voorzetsels (waaronder de twee net genoemden) wordt in de datief gezet, alsook het begeleidend lidwoord.

 

Datief van de lidwoorden:

Hieronder volgen de verbuigingen van lidwoorden in drie naamvallen: nominatief, accusatief en datief, zowel in het enkelvoud als in het meervoud:

 

  NOMINATIEF enkelvoud NOMINATIEF meervoud
Geslacht Bepaald lidwoord Onbepaald lidwoord Bepaald lidwoord Onbepaald lidwoord
mannelijk der
[de:ɐ
ein
[ain
die
[di:
keine
[khainə
vrouwelijk die
[d:
eine
[ainə
die
[d:
keine
[khainə
onzijdig das
[das
ein
[ain
die
[di:
keine
[khainə

 

  DATIEF enkelvoud DATIEF meervoud
Geslacht Bepaald lidwoord Onbepaald lidwoord Bepaald lidwoord Onbepaald lidwoord
mannelijk dem
[de:m
einem
[ainəm
den
[de:n
keinen
[khainən
vrouwelijk der
[de:ɐ
einer
[ainɐ
den
[de:n
keinen
[khainən
onzijdig dem
[de:m
einem
[ainəm
den
[de:n
keinen
[khainən

 

  ACCUSATIEF enkelvoud ACCUSATIEF meervoud
Geslacht Bepaald lidwoord Onbepaald lidwoord Bepaald lidwoord Onbepaald lidwoord
mannelijk den
[de:n
einen
[ainən
die
[di:
keine
[khainə
vrouwelijk die
[d:
eine
[ainə
die
[di:
keine
[khainə
onzijdig das
[das
ein
[ain
die
[di:
keine
[khainə

 

Bemerkt u, dat in het meervoud geen onderscheid bestaat tussen de verbuiging mannelijk, vrouwelijk en onzijdig?

 

SPRAAKKUNST

substantief:   is de naam die gegeven wordt aan een object (bv.: mens, voorwerp) of een niet materieel iets (bv.: gevoelens). Men noemt dit ook een zelfstandig naamwoord.

onderwerp:   veelal de persoon of voorwerp die/dat iets doet in de zin, of waarvan een eigenschap vermeld wordt. Het staat steeds in de naamval nominatief.

lijdend voorwerp:   de persoon of het voorwerp waarop de handeling in de zin uitgevoerd wordt. Het staat steeds in de naamval accusatief.

meewerkend voorwerp:    het voorwerp in de zin dat meewerkt met het werkwoord. Het staat steeds in de naamval datief.

lidwoord:   een woord dat aan een persoon of een voorwerp voorafgaat en er "lid" van geworden is.

voorzetsel:   een woord dat een betrekking weergeeft tussen twee substantieven of tussen een werkwoord en een substantief.

naamval:    de verandering in een woord (verbuiging) die bepaalt welke woordsoort (bv.: onderwerp, lijdend voorwerp) het woord in de zin is. Belangrijk in het Duits!

verbuigen:    is het aanpassen van het woord aan de noodzakelijke naamval. Een tussenwerpsel of een bijwoord worden nooit verbogen.

nominatief:    is de naamval die onderwerp in de zin bepaalt.

accusatief:    is de naamval die het lijdend voorwerp in de zin bepaalt. Hij wordt ook gebruikt na sommige voorzetsels.

datief:    is de naamval die het meewerkend voorwerp in de zin bepaalt. Hij wordt ook gebruikt na sommige voorzetsels.

voornaamwoord:    woord dat een persoon aanduidt zonder hem of haar expliciet te noemen. "Hem" en "haar", "ik", "jij", "hij", "zij" en zo meer zijn bijvoorbeeld voornaamwoorden.

Datief van de substantieven

Bij de meeste substantieven gebruikt men in het enkelvoud geen speciale uitgangen, noch in de nominatief, noch in de datief, noch in de accusatief. Dat is al gemakkelijk. Voorbeelden:

Nominatief mannelijk: der Tag [de:ɐ thak]
Datief mannelijk: dem Tag [de:m thak]
Accusatief mannelijk: den Tag [de:n thak]

Nominatief vrouwelijk: die Hand [di: hant]
Datief vrouwelijk: der Hand [de:ɐ hant]
Accusatief vrouwelijk: die Hand [di: hant]

Nominatief onzijdig: das Buch [das bu:x]
Datief onzijdig: dem Buch [de:m bu:x]
Accusatief onzijdig: das Buch [das bu:x]

Keer even terug naar stap 6. Daar werd reeds het volgende aangegeven: de meeste (niet alle) mannelijke dierennamen en vele (niet alle!) mannelijke substantieven die een eigenschap of een beroep van een persoon weergeven en niet eindigen op "-er", vormen een meervoud door toevoeging van "-en" (of "-n" indien die woorden eindigen op een "-e"). In alle naamvallen, behalve in de nominatief enkelvoud, gebruikt men die uitgang "-en", ongeacht of het om een enkelvoud of een meervoud gaat. Daartoe horen ook de zes speciale woorden uit stap 6: der Buchstabe [de:ɐ bu:xʃtha:bə] (betekenis: de letter), der Friede [de:ɐ fri:də] (betekenis: de vrede), der Gedanke [de:ɐ gədaŋkhə] (betekenis: de gedachte), der Name [de:ɐ na:mə] (betekenis: de naam), der Wille [de:ɐ vɪlə] (betekenis: de wil) en het substantief der Glaube [de:ɐ glaubə] (betekenis: het geloof).

Twijfelt u, of een substantief tot deze categorie hoort, raadpleeg dan altijd een woordenboek of de lijst van substantieven. Voorbeelden van deze substantieven:

Nominatief: der Bär [de:ɐ bɛ:ɐ]
Datief: dem Bären [de:m bɛ:rən]
Accusatief: den Bären [de:n bɛ:rən]

Nominatief: der Affe [de:ɐ afə]
Datief: dem Affen [de:m afn]
Accusatief: den Affen [de:n afn]

Nominatief: der Name [de:ɐ na:mə]
Datief: dem Namen [de:m na:mən]
Accusatief: den Namen [de:n na:mən]

Nominatief: der Mensch [de:ɐ mɛnʃ]
Datief: dem Menschen [de:m mɛnʃn]
Accusatief: den Menschen [de:n mɛnʃn ]

Heel speciaal in deze reeks substantieven is der Herr [de:ɐ hɛr]. Vooreerst eindigt dit woord op tweemaal "r". Deze "r" wordt dan ook als een rollende "r" uitgesproken, ook al staat die "r" achteraan het woord. Het verbuigen ervan bestaat uit toevoeging van "-n" in het enkelvoud (behalve de nominatief) en "-en" in het meervoud. Voorbeelden van het enkelvoud:

Nominatief: der Herr [de:ɐ hɛr]
Datief: dem Herrn [de:m hɛrn]
Accusatief: den Herrn [de:n hɛrn]

In de datief meervoud van substantieven voegt men bij de meervoudsvorm van de nominatief een "-n" toe, behalve:

  • Men voegt geen uitgang meer toe, indien het gaat om de substantieven hier net boven die altijd "-en" of "-n" als uitgang hebben in alle naamvallen, zowel enkelvoud als meervoud (behalve natuurlijk in de nominatief enkelvoud).

  • Men voegt geen uitgang meer toe, indien de meervoudsvorm in de nominatief een "-s" is.

Voorbeelden van substantieven in de nominatief, datief en accusatief meervoud:

Nominatief: die Tage [di: thagə]
Datief: den Tagen [de:n thagn]
Accusatief: die Tage [di: thagə]

Nominatief: die Hände [di: Hɛndə]
Datief: den Händen [de:n Hɛndən]
Accusatief: die Hände [di: Hɛndə]

Nominatief: die Bücher [di: by:çɐ]
Datief: den Büchern [de:n by:çərn]
Accusatief: die Bücher [di: by:çɐ]

Nominatief: die Affen [di: afn]
Datief: den Affen [de:n afn]
Accusatief: die Affen [di: afn]

Nominatief: die Bären [di: bɛ:rən]
Datief: den Bären [de:n bɛ:rən]
Accusatief: die Bären [di: bɛ:rən]

Nominatief: die Herren [di: hɛ:rən]
Datief: den Herren [de:n hɛ:rən]
Accusatief: die Herren [di: hɛ:rən]

Nominatief: die Omas [di: o:mas]
Datief: den Omas [de:n o:mas]
Accusatief: die Omas [di: o:mas]

 

Gebruik van het voorzetsel von [fon]

Dit voorzetsel wordt altijd gevolgd door de datief.

Men gebruikt het soms zoals het Nederlandse voorzetsel "van", maar in een latere stap zullen we dit gebruik vervangen door iets anders (de genitief). Voorbeelden van het voorzetsel:

de groeten van de vader -> die Grüße von dem Vater [di: gry:sə fon de:m fa:thɐ]
de gedachten van een mens -> die Gedanken von einem Menschen [di: gədaŋkhən fon ainəm mɛnʃn]
de hoed van heer Janssens -> Der Hut von Herrn Janssens [de:ɐ hu:t fon hɛrn jansəns]
de helft van de som -> Die Hälfte von der Summe [di: hɛlfthə: fon de:ɐ zumə]

In de voorbeeldzin helemaal bovenaan deze stap 8 komt ook een gebruik van het voorzetsel von [fon] voor: "Was halten Sie davon?" In deze zin komt een verschijnsel voor dat u zal kennen uit het Nederlands. De bijwoorden "daar, hier en waar" worden namelijk vaak aaneen geschreven met een voorzetsel zoals: "daarvan, hiervan, waarvan". Die drie bindingen met het voorzetsel "van" worden in het Duits davon, hiervon, wovon [da:fon, hi;ɐfon, vo:fon] (Bemerk dat de klemtoon in het tweede woord vooraan ligt!).

Later zullen nog een ander gebruik zien van dit voorzetsel.

Nu is het wellicht tijd om het werkwoord halten in die voorbeeldzin te verklaren. Zoekt u de betekenis van dit werkwoord op in een woordenboek, dan zullen een aantal mogelijkheden aangegeven worden. Maar misschien staat de hier gebruikte betekenis niet in uw woordenboek. En toch gebruikt een Duitser het heel veel in de betekenis "denken". Een vraag "Wat denkt u daarvan?" wordt dan ook in het Duits "Was halten Sie davon?".

Vertrouwelijkheidsvorm: In het Duits spreekt men vreemde personen of hoger geplaatsten, bekenden en soms ook vrienden aan met de beleefdheidsvorm. Daarbij gaat men veel verder dan men in het Nederlands taalgebied gewoon is. Zo bijvoorbeeld wordt een buur steeds met de beleefdheidsvorm aangesproken. Men kan die vorm doorbreken, maar slechts nadat men gevraagd heeft om vertrouwelijk om te gaan. Vraagt u dat niet, dan wordt u afwijzend bekeken. De beleefdheidsvorm is Sie [zi:], steeds met een hoofdletter geschreven, en het wordt vervoegd als de derde persoon meervoud. Vandaar in die voorbeeldzin: "Was halten Sie davon?". De vertrouwelijkheidsvorm is du [du:] met de vervoeging in de tweede persoon enkelvoud. Deze vertrouwelijkheidsvorm schrijft men tegenwoordig zonder hoofletter, hoewel een hoofdletter nog steeds toegestaan is (erfenis uit het verleden).

 

Gebruik van het voorzetsel zu [stu:]

Dit voorzetsel wordt in heel veel toepassingen gebruikt. Het wordt gevolgd door de datief. Hier enkele toepassingen:

Het wordt steeds gebruikt voor een beweging naar een persoon toe. Dan vervangt het aldus het Nederlandse voorzetsel "naar". Dat is belangrijk te weten, zodat u niet foutief het Duitse voorzetsel nach [na:x] gebruikt, dat we later zullen leren benutten. Voorbeelden met zu [stu:]:

Ik ga naar de dokter. -> Ich gehe zu dem Arzt. [ɪç ge:ə tsu: de:m a:ɐtst]
Loop je naar Helga? -> Läufst du zu Helga? [loifst du: tsu: hɛlg:a]
Alstublieft, weet u de weg naar de politie? -> Bitte, wohin geht es zu der Polizei? [bithə vohɪn g:e:t ɛs tsu de:ɐ pho:litsai] (Bemerk de vertaling van "weet u de weg naar" in "waarheen gaat het naar...". Dat is denken en spreken als een Duitser, wat heel belangrijk is. In het Duits vraagt men dus nooit: "Weet u de weg naar...")

Het voorzetsel wordt ook gebruikt voor bewegingen naar een voorwerp, maar dan enkel in de betekenis van "bewegen in de richting van...". Voorbeelden:

Hij stort op de grond. -> Er stürzt zu dem Boden. [E:ɐ ʃthyrtst tsu: de:m bo:dn]
Van Antwerpen naar Mechelen is het 25 km. -> Von Antwerpen zu Mechelen sind es 25 (fünfundzwanzig) km. [fon antve:rphn tsu mɛxələ zɪnt ɛs fynfunt-tsvantsiç khɪlo:me:thɐ] (Bemerk dat een Duitser de klemtoon op de tweede lettergreep van "Antwerpen" plaatst, em dat een pauze ingelast wordt tussen de twee opeenvolgende uitgesproken "t"s van 25.)

Later zullen nog meer toepassingen van dit voorzetsel leren kennen.

 

Dit voorzetsel komt vaak voor in een samenstelling met een werkwoord, en wordt daarmee aaneen geschreven. Voorbeelden:

zuvorkommen [tsu:fo:ɐkhomən] (betekent: voorkomen)
zustimmen [tsu:ʃthɪmən] (betekent: instemmen)

Soms hebben deze werkwoorden, beginnend met zu [tsu:] een lijdend voorwerp in het Nederlands, maar niet in het Duits! Voorbeeld: "Ik wil een file op de snelweg voorkomen". De "file" is hier het lijdend voorwerp. Maar in het Duits denkt men anders dan in het Nederlands. En dat maakt het soms heel moeilijk. Alleen ervaring zal u helpen. Zo betekent het Duitse woord zuvorkommen [tsu:fo:ɐkhomən] eigenlijk "aan iets vooruitlopen". In de voorbeeldzin helemaal bovenaan de stap 8 staat: "... den Staus zuvorzukommen ", wat betekent: "vooruitlopen aan de mogelijkheid van files op de autosnelweg". Vandaar dat "Staus" (files) in het Duits een meewerkend voorwerp is geworden! Het staat dan ook in de datief (meervoud).

Opmerking: u zal zeker bemerkt hevven dat in de voorbeeldzin helemaal bovenaan deze stap 8 niet zuvorkommen [tsu:fo:ɐkhomən], maar zuvorzukommen [tsu:fo:ɐtsu:khomən] staat met een extra zu [tsu:] midden in het woord. Dat is een aanpassing aan de bijzin, waarin het woord staat. Dat komt in stap 9 aan bod.

Dat verschijnsel van lijdende voorwerpen in het Duits meewerkende voorwerpen kunnen worden (omdat de betekenis van een werkwoord anders 'gedacht' wordt in het Duits), zullen we in volgende stappen nog meer tegenkomen. Hier alvast twee voorbeelden, die veel gebruikt worden:

Het Nederlandse woord "helpen" wordt in het Duits gedacht als "aan iemand hulp bieden". Zo bijvoorbeeld is de Nederlandse zin "Ik help de man" in het Duits te verstaan als "Ik biedt aan de man hulp aan". Ziet u het al? "De man" is in het Nederlands lijdend voorwerp, maar in het Duits een meewerkend voorwerp (en dus in de datief). Want in het Duitse gedachtenpatroon is "de hulp" het lijdend voorwerp. Het wordt dan ook: "... Ich helfe dem Mann [ɪç hɛlfə: de:m man]". Gelieve dit werkwoord met datief alvast goed te onthouden.

Een tweede voorbeeld: het Nederlandse "iemand danken" wordt in het Duits gedacht als "aan iemand dank betuigen". Zo bijvoorbeeld is de Nederlandse zin "Zij dankt de schenker." in het Duits te verstaan als "Zij betuigt haar dank aan de schenker". Ziet u het al? "De schenker" is in het Nederlands lijdend voorwerp, maar in het Duits een meewerkend voorwerp (en dus in de datief). Want in het Duitse gedachtenpatroon is "haar dank" het lijdend voorwerp. Het wordt dan ook: "Sie dankt dem Spender [zi: daŋkt de:m ʃphɛndɐ>]". Gelieve dit werkwoord met datief alvast goed te onthouden.

Ja, het wordt echt denken als een Duitser! Dat vraagt oefening en geduld, maar wees gerust... het komt allemaal in orde.

In deze stap leerden we de datief kennen en enkele voorzetsels. De beloofde oefening op het meervoud van substantieven en de vervoeging van werkwoorden zal in stap 9 volgen, tegelijk aangevuld met de kennis van deze stap. Dan kunnen we al echt interessante zinnen bouwen.




 
Lijst van alle stappen



 

Verantwoordelijkheid: Sebastian Norbert Hope, Niedersachsen, Deutschland (zie contact).