U bevindt zich hier: Lijst stappen Stap 4  

STAP 4

Hoofdaccent: werkwoord

Indien u nog geen Duits spreekt of nog niet redelijk foutloos kan schrijven, is het aangewezen te starten met de inleidende algemene informatie en de eerste stap.

In de vorige stap gingen we van volgende situatie uit: veronderstel dat een van uw buren een bakker is, die bekend staat voor zijn angst voor ziektes. Om de haverklap belt hij zijn dokter op. Op zekere dag leunt u uit het venster en ziet u hem in zijn woonkamer alweer de dokter opbellen. Meewarig schudt u het hoofd naar uw partner en zegt:

"Pfui, der Bäcker ruft schon wieder den Arzt an"
[pfui de:ɐ bɛkhɐ ru:ft ʃo:n vi:dɐ de:n a:ɐtst an]

In deze stap bekijken we de woorden die bijkomende gevoelens weergeven en de woorden die het gebeuren nader bepalen.

SPRAAKKUNST

substantief:   is de naam die gegeven wordt aan een object (bv.: mens, voorwerp) of een niet materieel iets (bv.: gevoelens). Men noemt dit ook een zelfstandig naamwoord.

onderwerp:   veelal de persoon of voorwerp die/dat iets doet in de zin, of waarvan een eigenschap vermeld wordt.

lijdend voorwerp:   de persoon of het voorwerp waarop de handeling in de zin uitgevoerd wordt.

werkwoord:    het woord dat de handeling of de toestand uitdrukt, of het zijn.

vervoegen:    is het aanpassen van het "werkwoord" aan tal van omstandigheden.

lidwoord:   een woord dat aan een persoon of een voorwerp voorafgaat en er "lid" van geworden is.

tussenwerpsel:   een woord dat meestal een gevoelen uitdrukt en uit de zin weg mag gelaten worden, zonder dat de betekenis van de zin verandert.

bijwoord:   een woord dat, onder andere, de handeling van het werkwoord of een ander bijwoord in de zin nader omschrijft. Dat woord kan steeds uit de zin weggelaten worden, zonder dat de betekenis van de zin wezenlijk verandert.

naamval:    de verandering in een woord (verbuiging) die bepaalt welke woordsoort (bv.: onderwerp, lijdend voorwerp) het woord in de zin is. Belangrijk in het Duits!

verbuigen:    is het aanpassen van het woord aan de noodzakelijke naamval. Een tussenwerpsel of een bijwoord worden nooit verbogen.

nominatief:    is de naamval die bepaalt welke persoon of welk voorwerp het "onderwerp" van de zin is.

accusatief:    is de naamval die bepaalt - onder andere - welke persoon of welk voorwerp het "lijdend voorwerp" van de zin is.

Tussenwerpsels

De voorbeeldzin hierboven begint met een uitdrukking van verbazing, een afkeuring: "pfui" [pfui]. Vooral in de gesproken taal worden dergelijk uitdrukking heel veel gebruikt en kleuren hetgeen u wil vertellen. Die woorden noemt men "interjecties" of gewoonweg "tussenwerpsels". Zij staan veelal vooraan in een zin en hebben geen enkele invloed op de zin zelf. Met andere woorden: naamvallen, verbuigingen, vervoegingen of wat ook zijn op hen van geen toepassing. Dat maakt het al gemakkelijk om uitspraken probleemloos met uitingen van allerlei gevoelens op te smukken.

Uitspraaktip: In het woord "pfui " [pfui ] wordt de "i" op het einde slechts heel kort uitgesproken en door een "j" verbonden met de net daarvoor kort uitgesproken "oe" [u]. Het klinkt dan ook sterk als het Nederlandse woord "foei" met een "p" er net voor. Het betekent trouwens ook "foei". In alle andere omstandigheden waarbij een klinker gevolgd wordt door een andere klinker, verbindt men hen nooit met een "j" ertussen, maar spreekt men beide klinkers afzonderlijk uit met een fractie van een pauze ertussen. Bijvoorbeeld: "real " [rea:l] (dus geen verbinding met een "j"!).

Hier enkele voorbeelden van veel gebruikte tussenwerpsels: (Maar vooraf: vaak kan u dergelijke interessante gevoelsuitingen niet vinden in woordenboeken. Ervaring speelt dan ook een rol.

"Pfui , ..." [pfui ] Ndl: foei, ja wat! Schaam je! Hoe durf je!

"Hurra! ..." [hura:] Ndl: hoera

"Aua ... (of Au)" [aua (of au)] Ndl: ai (geen verbinding tussen "au" en "a" uitspreken!)

"Uh! ..." [u:] Ndl: oei

"Brr! ..." [br] Ndl: brr

"Bäh! ..." [bɛ:] Ndl: bah

"Ei! ..." [ai] Ndl: hé (liefkozend)

"Ach, ..." [ax] Ndl: ach

"ätsch! ..." [ɛ:tʃ] Ndl: bè (afkeer)

"Aha (of: Aha)! ..." [a:ha (of: aha)] Ndl: aha

"Na (ja), ..." [na (ja:)] Ndl: nou, nu ja

"Ach was, ..." [ax vas ] Ndl: ja wat

"Toi, toi, toi! ..." [thoi thoi thoi] Ndl:veel succes!

"Mann, Mann, Mann! ... (of: Mann oh Mann) " [man man man (man o: man)] Ndl: Man! (vaak verandert men in de volksmond de tweede uitroep tot Manometer! ... " [manome:thɐ] waarbij moedwillig de normale lange "a" van het woord "manometer" kort wordt uitgesproken)

"Ja Mann! ... " [ja: man] Ndl: Man!

"Ach nee, ..." [ax ne:] Ndl: nee toch!

"Ach so, ..." [ax zo:] Ndl: ha!

"Nanu!, ..." [nanu:] Ndl: wel! (iets of wat uitdagend)

"Hoho!, ..." [hoho:] Ndl: Alé vooruit!

"Hoho!, ..." [hoho] Ndl: Amaai! (met een kort uitgesproken laatste "o")

"... Aber wie!" [abɐ vi:] Ndl: ... En hoe! (staat meestal achter een uitspraak)

"Verdammt nochmal!, ..." [fɛɐdamt noxma:l] Ndl: Verdomme! (hierbij wordt de klemtoon op nochmal" [noxma:l] moedwillig op de "a" gelegd, waar deze normalerwijze op de "o" ligt)

"Lieber Gott! (Meine Güte!)" [li:bɐ got (mainə gy:tə)] Ndl: ... Ach neen! Lieve deugd!

Uitspraaktip: Hier komen we een nieuwe vorm van "ch"-uitspraak tegen. Wanneer een "ch" voorafgegaan wordt door de klinkers "a, o, au" dan wordt de "ch" uitgesproken als in het Nederlands, aldus iets hoger in de mondholte dan bij de "ch" na een "i, u". Uitspraakweergave van die eerste "ch" is "x" , van de tweede "ch" is het "ç".

Uitspraaktip: Bij het woord "Mann " [man] kan u goed de scherpe en heel kort uitgesproken "a" inoefenen alsook de vrij lange "n". In het Duits spreekt men de lange "n" (een dubbele "n" geschreven) altijd veel langer uit dan in het Nederlands.

Uitspraaktip: Ziet u in het hierboven staande voorbeeld "Bäh! ..." [bɛ:], hoe een lange klinker in het Duits vaak 'geforceerd' wordt door in de geschreven taal aan de klinker een "h" te koppelen? Dat gebeurt vaak, en het is alweer ervaring die u zal leren, in welke woorden dit voorkomt. Daarbij spreekt men die "h" helemaal niet uit. Staat een "h" voor een klinker of tussen twee klinkers zoals bij "Hoho!, ..." [hoho] dan wordt zij wel uitgesproken.

Een ander veel gebruikt tussenwerpsel is het woordje "halt " [halt].

Uitspraaktip: Spreekt de "a" heel scherp uit en heel kort. En vorm de "L" door de tongpunt iets meer naar het midden van de mondholte te brengen, tegen het gehemelte aan, een eindje van de boventanden verwijderd. Zo klinkt de "L" veel voller.

Dit woordje "halt " [halt] komt steeds ergens in een zin voor, niet aan het begin, en wordt gebruikt om de nadruk te leggen in een zin, in de betekenis van de Nederlandse uitdrukking "toch, toch eens, nu eenmaal". Maar gebruik het niet overdreven veel. Dat stoort! Enkele voorbeelden: (tegelijk leert u weer zinnen opbouwen)

"Als het niet gaat, laat het dan toch liggen!" -> "Wenn es nicht klappt, lass es halt liegen!" [vɛn ɛs nɪçt klapt las ɛs halt li:gn]

"We zouden toch eens moeten proberen te slapen." -> -> "Wir sollen halt versuchen zu schlafen." [vɪ:ɐ zoln halt fɛɐ zu:xn tsu: ʃla:fn]

"Dat is nu eenmaal zo." -> -> "Das ist halt so." [das ɪst halt zo:]

Zulke tussenwerpsels verfraaien een zin, vooral in de gesproken taal, vindt u niet? Zo wordt het eenvoudige Duits dat we al een beetje kunnen spreken "gevoelsvol". Als u nu nog extra oefent op de uitspraak, dan kan u al eens zonder schaamte een gesprekje voeren met een Duitser. Die tussenwerpsels zullen we dadelijk inoefenen, maar eerst bekijken we een volgend soort woorden...

Bijwoorden

In de voorbeeldzin helemaal bovenaan staan nog twee woorden die nog niet besproken zijn: "schon wieder" [ʃo:n vi:dɐ]. Deze woorden bepalen het gebeuren in de zin nader. In de voorbeeldzin maken ze het duidelijk, dat de bakker alweer de dokter opbelt. Het was niet de eerste keer. Dergelijke woorden die het gebeuren in een zin nader bepalen, noemt men "bijwoorden". Bijwoorden staan vaak bij een werkwoord. Zo bijvoorbeeld: "Hij is nooit thuis". Het woord "nooit" is een bijwoord. Of: "Vandaag komt zij". Het bijwoord "vandaag" bepaalt het gebeuren nader.

Bijwoorden worden nooit vervoegd (dat gebeurt trouwens alleen maar met werkwoorden) en ook nooit verbogen (geen naamvallen aldus). Het zijn dan ook woorden die haast nooit veranderen (uitzonderlijk echter wel bij trappen van vergelijking, maar dat volgt in een latere stap).

Een aantal voorbeelden: (daar leren we alweer een stel woorden)

"Hij is nooit thuis." -> -> "Er ist nie zuhause." [ɛɐ ɪst ni: tsuhauzə]

"Vandaag komt ze." -> -> "Heute kommt sie." [hoitə khomt zi:]

"Ik koop de computer, en daarbij ook software." -> -> "Ich kaufe den Computer, und auch Software dabei." [ɪç khaufə de:n kompju:tɐ und aux zoftvɛɐ da:bai]

"Ik schrijf net de brief." -> -> "Ich schreibe gerade den Brief." [ɪç ʃraibə gəra:də de:n bri:f]

Uitspraaktip: Bemerk dat men in het Duits Engelse woorden uitspreekt zoals in die taal, behalve wanneer ze beginnen met een "s", die als een "z" uitgesproken wordt. Zo ziet u maar, hoe een Duitser vreemde woorden toch probeert te verduitsen in de uitspraak. Dat gebeurt trouwens ook met Franse woorden, zowel met de "s" vooraan het woord, als erin. En uiteraard ook met Franse woorden die verduitst zijn in de geschreven taal. Bijvoorbeelden: "absurd" [apzurt], "die Soße" [die zo:sə], "sozial" [zotsia:l], "Souvenir" [zuvəni:ɐ].

Uitspraaktip: Bemerk in de uitspraak van het Franse woord "Souvenir" [zuvəni:ɐ], dat daar de "v" wel als een Nederlandse "v" uitgesproken wordt, en niet als een "f" zoals gebruikelijk in het Duits. Dat gebeurt veel bij Franse en ook andere vreemde woorden, die in het Duits zijn overgenomen en nog niet echt verduitst zijn. De ervaring zal weer veel leren...

Verbuiging van het onbepaalde lidwoord

Vooraleer het geleerde in te oefen, is het nuttig om iets meer te vernemen over lidwoorden. U weet zeker nog dat een lidwoord een woordje is dat naamwoorden vergezelt. Het is er als het ware lid van geworden, vandaar de naam "lidwoord". Het lidwoord "der" [de:ɐ] kent u reeds en kan u al verbuigen in het enkelvoud. Dit lidwoord wijst steeds een welbepaalde persoon of een welbepaald voorwerp aan, niet zo maar een iets uit een hele resem voorkomens van dat iets. We zeggen dat "der" [de:ɐ] een "bepaald lidwoord" is. Nu kan u in tegenstelling ook spreken over een persoon of een voorwerp, gekozen uit een onbepaalde hoeveelheid. Bijvoorbeeld "een aap" is één aap uit een hele resem apen, zonder een bepaalde aap aan te willen duiden. We spreken hier over een "onbepaald lidwoord".

Onbepaalde lidwoorden zoals "ein" [ain] worden net zoals de bepaalde lidwoorden verbogen naargelang de te gebruiken naamval. U weet toch nog dat het onderwerp van de zin steeds in de nominatief verbogen wordt, en het lijdend voorwerp steeds in de accusatief.

Hier is de verbuiging in deze twee naamvallen voor zowel het bepaalde als het onbepaalde lidwoord. Zo kan u even vergelijken:

NOMINATIEF
Geslacht Bepaald lidwoord Onbepaald lidwoord
mannelijk der
[de:ɐ
ein
[ain
vrouwelijk die
[d:
eine
[ainə
onzijdig das
[das
ein
[ain

 

ACCUSATIEF
Geslacht Bepaald lidwoord Onbepaald lidwoord
mannelijk den
[de:n
einen
[ainən
vrouwelijk die
[d:
eine
[ainə
onzijdig das
[das
ein
[ain

 

Oefening

Met al het bovenstaande kunnen we nu proberen heel wat aangenamere zinnen in het Duits op te bouwen. Zoek alle noodzakelijke woorden op in het woordenboek. Maar pas op... soms gebruikt men in het Duits totaal andere wijzen om iets uit te drukken. Verschiet dan ook niet, dat bij het checken een heel andere oplossing voor de vertaling uit de bus komt. Dat is het geval met de zinnen hieronder die gevolgd worden door een "(!)". Dat maakt de oefeningen moeilijk, maar maak u geen zorgen... ervaring zal u helpen en meteen leert u juist Duits te spreken... te denken als een Duitser. En dat laatste is van enorm belang. U moet afstand nemen van de Nederlandse denkpatronen bij het zich uitdrukken! En lees uw gemaakte zin, zodat de uitspraak ook geoefend wordt. Let a.u.b. op het juiste gebruik van de nominatief en de accusatief. Nochmaals: laat u niet ontmoedigen, als uw oplossing moeilijk tot stand komt...

 

Hé! Wie zit daar? [tot een kind]

Nu ja, dat is tegenwoordig nu eenmaal zo.

Men kan niet altijd winnen.

Wel! Komt er nog iets van? (!)

Joepie! Vandaag krijg ik een computer.

Verdomme! Dat wordt hier niets. (!)

De toekomst is zo goed als altijd een vraagteken.

Een brood a.u.b. Jammer, het brood is uitverkocht. (!)

Man! Een trein verplettert daar een auto.

Lieve deugd! Een blog actueel maken... daar slaag ik nooit in. (!)

Zo, dat was geen gemakkelijke oefening, maar wellicht heeft u er heel wat Duits bij geleerd, en dat is toch de bedoeling, niet?

In een stap 5 zullen we zien, dat het naamwoord, het substantief, toch kan veranderen in de accusatief. Bovendien duiken we in het gebruik van het meervoud. Ai... de moeilijkheden komen al zeker?




 
Lijst van alle stappen



 

Verantwoordelijkheid: Sebastian Norbert Hope, Niedersachsen, Deutschland (zie contact).