Indien u nog geen Duits spreekt of nog niet redelijk foutloos kan schrijven, is het
aangewezen te starten met de inleidende algemene informatie en
de eerste stap.
"Nicht alle Menschen denken wie ich. Wennschon!"
Enkele voegwoorden vragen aandacht in het juiste gebruik ervan, hoewel er in deze geen verschillen zijn tussen het
Nederlands en het Duits. Toch is het goed enkele aspecten van hun gebruik te doorlopen...
SPRAAKKUNST
substantief:
is de naam die gegeven wordt aan een object (bv.: mens, voorwerp)
of een niet materieel iets (bv.: gevoelens). Men noemt dit ook een zelfstandig naamwoord.
onderwerp:
veelal de persoon of voorwerp die/dat iets doet in de zin, of waarvan een eigenschap vermeld wordt. Staat in
de naamval nominatief.
lijdend voorwerp:
de persoon of het voorwerp waarop de handeling in de zin uitgevoerd
wordt. Staat in de naamval accusatief.
meewerkend voorwerp:
de persoon of het voorwerp die met het werkwoord meewerkt. Staat
veelal in de datief of anders gekoppeld aan een voorzetsel.
voorzetsel:
een woord dat een bepaalde betrekking weergeeft tussen twee substantieven, of tussen een werkwoord en een
substantief.
lidwoord:
een woord dat aan een persoon of een voorwerp voorafgaat en er "lid" van geworden is.
adjectief:
is een woord dat een substantief karakteriseert, er een eigenschap
van weergeeft. Het staat bij een substantief. Men noemt het ook een bijvoeglijk naamwoord.
predicatief:
is een adjectief dat een gelijkstelling weergeeft en gekoppeld is
aan de werkwoorden "sein, werden, bleiben". Het wordt nooit verbogen.
naamval:
de verandering in een woord (verbuiging) die bepaalt welke woordsoort (bv.: onderwerp, lijdend voorwerp) het
woord in de zin is. Belangrijk in het Duits!
verbuigen:
is het aanpassen van het woord aan de noodzakelijke naamval. Een tussenwerpsel of een bijwoord worden nooit
verbogen.
nominatief:
is de naamval die bepaalt welke persoon of welk voorwerp het "onderwerp" van de zin is.
genitief:
is de naamval die het bezit van of de afhankelijkheid tegenover een betrokken substantief uitdrukt. Deze
naamval wordt ook gebruikt na heel wat voorzetsels.
datief:
is de naamval die bepaalt welke persoon of welk voorwerp het "meewerkend voorwerp" van de zin is, of die
verbonden is aan een bepaald voorzetsel.
accusatief:
is de naamval die bepaalt - onder andere - welke persoon of welk voorwerp het "lijdend voorwerp" van de
zin is.
voornaamwoord:
woord dat een persoon aanduidt zonder hem of haar expliciet te noemen. "Hem" en "haar", "ik", "jij", "hij",
"zij" en zo meer zijn bijvoorbeeld voornaamwoorden.
werkwoord:
is een woord dat de actie of de werking van de zin uitvoert.
vervoegen:
is het aanpassen van een werkwoord aan de persoon, aan de hoeveelheid personen, aan de tijd en aan
meer.
deelwoord (Partizip):
is het woord dat deelt in de eigenschappen van meerdere woordsoorten, zoals werkwoorden, adjectieven en
substantieven.
bijwoord:
is een woord dat een adjectief of een werkwoord nader kan bepalen. Het wordt nooit verbogen en kan uit de
zin weggelaten worden, zonder dat de zinsconstructie in gevaar komt.
voegwoord:
is een woord dat woorden, zindsdelen of zinnen met elkaar kan verbinden. Het is onverbuigbaar en maakt geen deel
uit van de zin.
Obgleich, obwohl, obschon, obzwar
Het Nederlandse "hoewel, ofschoon, al" kan vertaald worden door obgleich, obwohl,
obschon, obzwar al naargelang u bepaalde ingesteldheden wil uitdrukken. In het Nederlands klinkt "al" vrij neutraal
in bv. "Hij heeft me niet verstaan, (ook) al sprak ik klare taal".
Voegwoorden als "hoewel, ofschoon" geven iets meer kleur aan de zin, niet? Een neutrale uitdrukking in deze komt niet voor in het Duits en
aldus kan u steeds kleur geven
door obgleich, obwohl. Obgleich laat ergens een
onverschilligheid blijken, hoewel een tegenstelling uitgedrukt wordt. Obwohl laat
eerder een voorkeur blijken of een gelijkhebberij voor wat in de bijzin volgt, terwijl ook hier een tegenstelling uitgedrukt wordt.
De gelijkaardige voegwoorden obschon, obzwar worden
tegenwoordig als 'verheven' taal beschouwd en kunnen dan ook vermeden worden in normale omgang. Enkele voorbeelden
van obgleich, obwohl:
Er hat mich gar nicht verstanden, obwohl meine Aussage eine klare Ansage sein musste.
Hier scheiden sich die Geister, obwohl wir uns einigen wollten.
Das könntest du tun, obgleich wir uns es auch schenken können.
Es war ihr egal. Deswegen war sie zwar restlos glücklich, obgleich sie ebenso
vor dem Verlust weinen konnte.
Soms gebruikt men in het Duits ook het voegwoord wenngleich in de plaats van
obgleich. Beide voegwoorden hebben dezelfde betekenis, hoewel
wenngleich de tegenstelling in de bijzin iets of wat mildert. Enkele voorbeelden:
Wenngleich mir das Bild nicht gefällt, muss ich doch sagen, dass es gut gemalt ist.
Wenngleich die jungen Leute zusammenrotteten, gab es keine Gefahr zu spüren.
Het gelijkaardige voegwoord wennschon wordt alleen gebruikt in vaste
uitdrukkingen zoals in wennschon! (betekenis: dat geeft niet, dat stoort niet), of
in de uitdrukking wennschon, dennschon! (betekenis: als je iets doet, doe het dan goed!).
Enkele voorbeelden:
Nicht alle Menschen denken wie ich. Wennschon!
Wie machst du das da? Wennschon, dennschon!
Ehe, nachdem, seitdem, solange
De voegwoorden ehe, nachdem, seitdem, solange, overeenkomend met de
Nederlandse voegwoorden "vooraleer, nadat, sinds, zolang", worden op net dezelfde wijze gebruikt als in die taal.
Een aantal voorbeelden:
Ehe wir gehen, wollen wir schnell mal alles zusammenraffen.
Nachdem es ihn erwischt hatte, tat er es nie wieder.
Man lebt ganz anders in der Stadt, seitdem die Renovierungen abgeschlossen sind.
Solange es willige Helfer gibt, läuft alles snell ab.
Bij gebruik van het voegwoord ehe is het goed te weten, dat in de bijzin automatisch
een negatie ingesloten is. In het hier bovenstaande voorbeeld sluit Ehe wir gehen in,
dat "we nog niet gegaan zijn". Daarom is het bij dubbele negatie (negatie in hoofdzin en in bijzin) niet
toegestaan om in die bijzin een extra nagatie in te bouwen. Dat principe
is trouwens eveneens geldig voor het Nederlands. Het mag dan ook niet zijn
Man darf die Straße nicht überqueren, ehe man sich nicht umgesehen hat, maar wel
Man darf die Straße nicht überqueren, ehe man sich umgesehen hat.
Nevenschikkende voegwoorden
Om deze stappen over de voegwoorden af te sluiten, is het goed om nog even stil te staan bij nevenschikkende voegwoorden.
Vooreerst ter herhaling: deze voegwoorden katapulteren het vervoegde werkwoord nooit naar achteren in de bijzin.
En eveneens ter herhaling: het voegwoord denn is altijd nevenschikkend, zie
stap 36.
Voor het overige
zorgen nevenschikkende voegwoorden voor geen problemen voor een Nederlandstalige. Enkele voorbeelden:
Mein PC ist eingeschaltet und mein Drucker steht zur Verfügung.
Der Bauer band die Garben auf den Feld, doch es regnete ständig.
Es war mir zwar als hätte es geregnet, aber der Nebel hatte die Feuchtigkeit hervorgebracht.
Nicht das Wetter war trüb, sondern seine Seele (war trüb).
Er wurde nicht nur zuschanden über seinem Sohn, sondern er selbst wurde auch angeklagt.
Entweder du nimmst Rücksicht auf deine Lage, oder du wirst vor Hunger umkommen.
Zwar tut sich was, aber wir merken nichts davon.
Zo, dit was wel een heel korte en heel gemakkelijke stap, maar vanaf de volgende stappen wordt het alweer vrij moeilijk...
In stap 40 worden de bijstellingen behandeld. Daarbij is het vaak een probleem of men de naamval van het betrokken substantief moet
overnemen of niet. Zo kan men zich bv. de vraag stellen: Is het
die Besteigung des Berges als der schwierigste Gipfel des Massivs
of die Besteigung des Berges als des schwierigsten Gipfels des Massivs?
|