>
U bevindt zich hier: Lijst stappen Stap 37  

STAP 37

Hoofdaccent: voegwoorden "dass, ob, wenn, falls"

 

Indien u nog geen Duits spreekt of nog niet redelijk foutloos kan schrijven, is het aangewezen te starten met de inleidende algemene informatie en de eerste stap.

"Es wurde mir dadurch zuwider, dass du den Rasen immer wieder zertrampelst."

Sommige voegwoorden zoals dass, ob, wenn, falls worden op dezelfde wijze gebruikt als in het Nederlands, en veroorzaken dan ook geen problemen. Wel vragen zij aandacht voor een juist gebruik.

SPRAAKKUNST

substantief:   is de naam die gegeven wordt aan een object (bv.: mens, voorwerp) of een niet materieel iets (bv.: gevoelens). Men noemt dit ook een zelfstandig naamwoord.

onderwerp:   veelal de persoon of voorwerp die/dat iets doet in de zin, of waarvan een eigenschap vermeld wordt. Staat in de naamval nominatief.

lijdend voorwerp:   de persoon of het voorwerp waarop de handeling in de zin uitgevoerd wordt. Staat in de naamval accusatief.

meewerkend voorwerp:   de persoon of het voorwerp die met het werkwoord meewerkt. Staat veelal in de datief of anders gekoppeld aan een voorzetsel.

voorzetsel:   een woord dat een bepaalde betrekking weergeeft tussen twee substantieven, of tussen een werkwoord en een substantief.

lidwoord:   een woord dat aan een persoon of een voorwerp voorafgaat en er "lid" van geworden is.

adjectief:   is een woord dat een substantief karakteriseert, er een eigenschap van weergeeft. Het staat bij een substantief. Men noemt het ook een bijvoeglijk naamwoord.

predicatief:   is een adjectief dat een gelijkstelling weergeeft en gekoppeld is aan de werkwoorden "sein, werden, bleiben". Het wordt nooit verbogen.

naamval:    de verandering in een woord (verbuiging) die bepaalt welke woordsoort (bv.: onderwerp, lijdend voorwerp) het woord in de zin is. Belangrijk in het Duits!

verbuigen:    is het aanpassen van het woord aan de noodzakelijke naamval. Een tussenwerpsel of een bijwoord worden nooit verbogen.

nominatief:    is de naamval die bepaalt welke persoon of welk voorwerp het "onderwerp" van de zin is.

genitief:    is de naamval die het bezit van of de afhankelijkheid tegenover een betrokken substantief uitdrukt. Deze naamval wordt ook gebruikt na heel wat voorzetsels.

datief:    is de naamval die bepaalt welke persoon of welk voorwerp het "meewerkend voorwerp" van de zin is, of die verbonden is aan een bepaald voorzetsel.

accusatief:    is de naamval die bepaalt - onder andere - welke persoon of welk voorwerp het "lijdend voorwerp" van de zin is.

voornaamwoord:    woord dat een persoon aanduidt zonder hem of haar expliciet te noemen. "Hem" en "haar", "ik", "jij", "hij", "zij" en zo meer zijn bijvoorbeeld voornaamwoorden.

werkwoord:    is een woord dat de actie of de werking van de zin uitvoert.

vervoegen:    is het aanpassen van een werkwoord aan de persoon, aan de hoeveelheid personen, aan de tijd en aan meer.

deelwoord (Partizip):    is het woord dat deelt in de eigenschappen van meerdere woordsoorten, zoals werkwoorden, adjectieven en substantieven.

bijwoord:    is een woord dat een adjectief of een werkwoord nader kan bepalen. Het wordt nooit verbogen en kan uit de zin weggelaten worden, zonder dat de zinsconstructie in gevaar komt.

voegwoord:    is een woord dat woorden, zindsdelen of zinnen met elkaar kan verbinden. Het is onverbuigbaar en maakt geen deel uit van de zin.

 

Het gebruik van het voegwoord "dass"

Het voegwoord dass komt volledig overeen met het Nederlandse voegwoord "dat" en stelt dan ook geen problemen voor een Nederlandstalige. Wat de spelling ervan betreft, dient men op te letten om er geen "das" van te maken. Het woord "das" is steeds een lidwoord of een voornaamwoord, nooit een voegwoord. Dat mag blijken uit volgende zin: Ich weiß, dass das schwierig ist. Tevens is het goed te weten, dat men vroeger (dat wil zeggen: voor de spellingshervorming van 2006) dit voegwoord steeds "daß" spelde. Daarom kan het vaak voorkomen, dat u in teksten van voor enkele jaren "daß" tegenkomt in de plaats van dass. Wanneer mag dan "ss" en wanneer "ß"? Men schrijft een dubbele "s" als ss, indien de voorafgaande klinker kort wordt uitgesproken. Men schrijft dan ook ß [dit is een "Eszett"] enkel, wanneer de voorafgaande klinker lang wordt uitgesproken. Enkele voorbeelden ter inoefening:

Voorbeelden met ss:

das Fass

essen

der Fluss

das Wasser

ich muss

wissen

Er sagt, dass...

Voorbeelden met ß:

der Fuß [lange "u"]

das Maß

ich weiß

heißen

außen

Bemerk aldus, dat een ß plots kan veranderen in een ss, of omgekeerd, tijdens het vervoegen van een werkwoord, al naargelang de lengte van de uitspraak van een voorafgaande klinker zoals in wissen, ich weiß, wir wissen of in genießen, ich genieße, ich genoss.

 

Het voegwoord dass is zoals in het Nederlands een onderschikkend voegwoord. Het vervoegde werkwoorddeel staat dan ook steeds achteraan in de bijzin. Het kan bovendien versterkt worden door allerlei bijwoorden in de hoofdzin, net zoals dit het geval is voor de voegwoorden da, weil uit de vorige stap. Enkele voorbeelden van dass met of zonder bijkomend bijwoord:

Ich habe so was von geglaubt, dass er dem Bösen ausweichen würde.

Es ist jedem bekannt, dass du ein Gesetz nie befolgst.

Es hängt mir zum Hals heraus, dass sie immer an der Schwelle stehen bleibt und nie hereinkommt.

Er spielt immer gut, ohne dass er angesporrnt werden muss.

Wir gehen davon aus, dass Sie eine edle Gesinnung haben.

Er ist zu übermütig, als dass er alles richtig tun könnte.

Der Tor ergibt sich so in Torheit, dass man ihn einfach fallen lassen soll.

Würdest du dich nicht vor Zorn hinreißen lassen, wenn er immer wieder behauptet, dass wir alles falsch machen?

 

Het gebruik van het voegwoord "ob"

Het voegwoord ob leidt een bijzin in met een vragend karakter. Het komt overeen met het Nederlandse voegwoord "of" en is onderschikkend. Enkele voorbeelden:

Ich möchte gern mal wissen, ob er wirklich aus eigenem Antrieb handelte.

Ob er sich schon im Hotel eingefunden hat, ist uns sehr die Frage.

Mir ist es unklar, ob er sein Vermögen verschleudert hat oder vernünftig gewirkschaftet hat.

 

Het is niet toegelaten om het voegwoord ob te gebruiken voor een bijzin zonder vragend karakter. In dat geval gebruikt men het voegwoord dass. Het is zelfs zo, dat een bijzin van vaststellend naar vragend karakter kan omgevormd worden door gebruik te maken van deze twee voegwoorden. Enkele voorbeelden:

Ich weiß nicht, dass er immer Rücksicht auf unsre Lage nimmt. [Dit is een zuivere vaststelling]

Ich weiß nicht, ob er immer Rücksicht auf unsre Lage nimmt. [Dit is een vraag]

Für den Fall, dass es euch schlecht ergehen würde, könnte ich Folgendes tun... [Dit is een zuivere vaststelling]

Für den Fall, ob es euch schlecht ergehen würde, könnte ich lediglich antworten, dass... [Dit is een vraag]

 

Onderscheid tussen "dass" en "weil"

In de vorige stap werd het gebruik van het voegwoord weil behandeld, namelijk bij de oorzaak van het gegeven uit de hoofdzin. Nu kan men echter ook de oorzaak van iets weergeven met het voegwoord dass, echter enkel wanneer in de hoofdzin de bijwoorden dadurch, daher gebruikt worden (hoewel ook dan de bijzin met het voegwoord weil kan ingeleid worden). Deze verwisseling van voegwoorden komt alweer overeen met de Nederlandse voegwoorden "dat" en "omdat". Voorbeelden:

Es wurde ihm daher eine Strafe erlassen, dass er sich vorher gut benommen hatte. ("erlassen" betekent in deze context "kwijtschelden"]

Es wurde ihm daher eine Strafe erlassen, weil er sich vorher gut benommen hatte.

Es wurde mir dadurch zuwider, dass du den Rasen immer wieder zertrampelst.

Es wurde mir dadurch zuwider, weil du den Rasen immer wieder zertrampelst.

 

Deze vrije keuze tussen de voegwoorden dass en weil om een oorzaak weer te geven, is ook van toepassing op alle bijzinnen met oorzakelijk karakter na een hoofdzin met een werkwoord dat een gevoelen uitdrukt. Voorbeelden:

Ich freue mich, dass es da viel getan hat. ["Es tut sich viel" betekent "er gebeurt heel wat"]

Ich freue mich, weil es da viel getan hat.

Sie ärgert sich, dass er immer Ausreden bereit hat.

Sie ärgert sich, weil er immer Ausreden bereit hat.

 

Het gebruik van de voegwoorden "wenn, falls"

De voegwoorden wenn en falls worden gebruikt ter inleiding van een voorwaardelijke bijzin, net zoals de Nederlandse voegwoorden "wanneer" en "indien". Beide voegwoorden zijn onderschikkend. Enkele voorbeelden:

Wenn man den Acker richtig bestellt, wird er reichen Ertrag abwerfen. ["bestellen" betekent hier "bewerken"]

Die Kinder in der Schule dürfen lediglich antworten, wenn sie die Hand emporheben.

Falls Sie drauf beharren, kann ich...

Falls Sie in Raten bezahlen möchten, würde ich jedoch eine Frist setzen.

Vaak kan men het voorwaardelijke karakter van een bijzin veranderen in een loutere vaststelling en wordt dan het voegwoord dass gebruikt. Voorbeelden:

Das ist die Folge, wenn du dich ständig auflehnst. [voorwaarde van het gevolg]

Das ist die Folge, dass du dich ständig auflehnst. [Het gevolg van iets, is dat... een vaststelling]

Die Lage ist doch klar, wenn deine Kinder nichts auf dich geben. [voorwaarde voor de toestand]

Die Lage ist doch klar, dass deine Kinder nichts auf dich geben. [De toestand, is... een vaststelling]

In het Duits gebruikt men - in tegenstelling tot het Nederlands - het voegwoord "als" niet om een voorwaarde weer te geven.

 

In stap 38 komen de voegwoorden als, wie aanbod in samenhang met de trappen van vergelijking. Daarbij zijn grote verschillen met het Nederlands vast te stellen.

 

 
Lijst van alle stappen



 

Verantwoordelijkheid: Sebastian Norbert Hope, Niedersachsen, Deutschland (zie contact).