>
U bevindt zich hier: Lijst stappen Stap 35  

STAP 35

Hoofdaccent: Plaats van het werkwoord in een zin

 

Indien u nog geen Duits spreekt of nog niet redelijk foutloos kan schrijven, is het aangewezen te starten met de inleidende algemene informatie en de eerste stap.

"Sie geht, doch kommt sie bestimmt wieder."

Woorden, zinsdelen en zinnen kunnen met elkaar verbonden worden, samengevoegd worden. Daartoe gebruikt men voegwoorden, zoals und, oder, aber, denn, dass.... In deze en volgende stappen komen de voegwoorden aan bod en zullen enkele merkwaardige verschillen aangetoond worden met het gebruik van voegwoorden in het Nederlands. Een belangrijk aspect van het gebruik van voegwoorden is de plaats van het werkwoord in de zin. Daartegen zondigen Nederlandstaligen vaak, wanneer ze zich in het Duits uitdrukken. In deze stap bekijken we de plaats van het werkwoord in het algemeen....

SPRAAKKUNST

substantief:   is de naam die gegeven wordt aan een object (bv.: mens, voorwerp) of een niet materieel iets (bv.: gevoelens). Men noemt dit ook een zelfstandig naamwoord.

onderwerp:   veelal de persoon of voorwerp die/dat iets doet in de zin, of waarvan een eigenschap vermeld wordt. Staat in de naamval nominatief.

lijdend voorwerp:   de persoon of het voorwerp waarop de handeling in de zin uitgevoerd wordt. Staat in de naamval accusatief.

meewerkend voorwerp:   de persoon of het voorwerp die met het werkwoord meewerkt. Staat veelal in de datief of anders gekoppeld aan een voorzetsel.

voorzetsel:   een woord dat een bepaalde betrekking weergeeft tussen twee substantieven, of tussen een werkwoord en een substantief.

lidwoord:   een woord dat aan een persoon of een voorwerp voorafgaat en er "lid" van geworden is.

adjectief:   is een woord dat een substantief karakteriseert, er een eigenschap van weergeeft. Het staat bij een substantief. Men noemt het ook een bijvoeglijk naamwoord.

predicatief:   is een adjectief dat een gelijkstelling weergeeft en gekoppeld is aan de werkwoorden "sein, werden, bleiben". Het wordt nooit verbogen.

naamval:    de verandering in een woord (verbuiging) die bepaalt welke woordsoort (bv.: onderwerp, lijdend voorwerp) het woord in de zin is. Belangrijk in het Duits!

verbuigen:    is het aanpassen van het woord aan de noodzakelijke naamval. Een tussenwerpsel of een bijwoord worden nooit verbogen.

nominatief:    is de naamval die bepaalt welke persoon of welk voorwerp het "onderwerp" van de zin is.

genitief:    is de naamval die het bezit van of de afhankelijkheid tegenover een betrokken substantief uitdrukt. Deze naamval wordt ook gebruikt na heel wat voorzetsels.

datief:    is de naamval die bepaalt welke persoon of welk voorwerp het "meewerkend voorwerp" van de zin is, of die verbonden is aan een bepaald voorzetsel.

accusatief:    is de naamval die bepaalt - onder andere - welke persoon of welk voorwerp het "lijdend voorwerp" van de zin is.

voornaamwoord:    woord dat een persoon aanduidt zonder hem of haar expliciet te noemen. "Hem" en "haar", "ik", "jij", "hij", "zij" en zo meer zijn bijvoorbeeld voornaamwoorden.

werkwoord:    is een woord dat de actie of de werking van de zin uitvoert.

vervoegen:    is het aanpassen van een werkwoord aan de persoon, aan de hoeveelheid personen, aan de tijd en aan meer.

deelwoord (Partizip):    is het woord dat deelt in de eigenschappen van meerdere woordsoorten, zoals werkwoorden, adjectieven en substantieven.

bijwoord:    is een woord dat een adjectief of een werkwoord nader kan bepalen. Het wordt nooit verbogen en kan uit de zin weggelaten worden, zonder dat de zinsconstructie in gevaar komt.

voegwoord:    is een woord dat woorden, zindsdelen of zinnen met elkaar kan verbinden. Het is onverbuigbaar en maakt geen deel uit van de zin.

 

Plaats van het vervoegde werkwoorddeel in de zin.

De plaats van het vervoegde werkwoorddeel is uiterst belangrijk in het Duits. Het vervoegde werkwoorddeel is bijvoorbeeld "heb" in de zin "Ik heb gesproken"; "gesproken" is het voltooid deelwoord en is niet te beschouwen als een vervoegd werkwoorddeel.

De plaats van het vervoegde werkwoorddeel is in het Duits veelal gelijk aan het Nederlands, wat dan ook een aardig hulpje is voor hen die Duits willen spreken. Maar... er zijn een aantal 'vervelende' verschillen, waarbij een Nederlandstalige vaak zondigt. En vooraf reeds gezegd: een foute plaats voor het vervoegde werkwoorddeel maakt een uitspraak totaal mank.

Staat het onderwerp van de zin helemaal vooraan, dan volgt het vervoegde werkwoorddeel onmiddellijk na het onderwerp. Dat is gelijkaardig aan het Nederlands. Voorbeelden in het Duits:

Das ist eine klare Ansage.

Er steckt sogar in der Zwickmühle!

Wir fliegen morgen in die Südsee.

 

Indien een ander zindsdeel dan het onderwerp vooraan in de zin staat, dan staat het vervoegde werkwoorddeel steeds voor het onderwerp. Die regel is alweer gelijkaardig aan het Nederlands en zal dan ook geen problemen veroorzaken. Wel is het van belang te weten, dat twee woorden of woordgroepen in een zin NIET als zinsdeel beschouwd worden. Dat zijn tussenwerpsels en voegwoorden. Gaan deze vooraf aan een zin, dan blijft het vervoegde werkwoorddeel - alweer net zoals in het Nederlands - achter het onderwerp staan (waarbij sommige voegwoorden het vervoegde werkwoorddeel zelfs helemaal naar het einde van de zin werpen - zie later). Voorbeelden maken dit alles duidelijk:

Morgen fliegen wir in die Südsee. (een bijwoord vooraan!)

Dem Kranken sollen wir gefälligst helfen. (een datief-zinsdeel vooraan)

Maar:

Sie reden viel, aber Sie sagen wenig. ('aber' is een voegwoord, daarom het vervoegde werkwoord achter het onderwerp)

O je, sie fällt schon wieder. ('O je' is een tussenwerpsel, daarom het vervoegde werkwoord achter het onderwerp)

 

Het is dan ook van groot belang te weten, dat een voegwoord (en ook een tussenwerpsel) nooit als een deel van de zin beschouwd wordt, ook al wordt het niet van de zin gescheiden door een komma (een tussenwerpsel wordt voorafgaand aan een zin wel door een komma gescheiden). Een voegwoord moet u begrijpen als een woord dat nooit in het begin van een zin staat, maar wel voorafgaand aan een zin. Dat wordt duidelijk in volgende voorbeelden:

Sie reden viel, aber Sie sagen wenig. ('aber' is een voegwoord, staat voorafgaand aan de tweede zin en mag niet beschouwd worden als het begin van die zin, daarom staat het vervoegde werkwoord achter het onderwerp.)

Sie reden viel, aber leider sagen Sie wenig. ('leider' is een bijwoord, staat in het begin van de tweede zin net achter het voorafgaande voegwoord 'aber', daarom staat het vervoegde werkwoord voor het onderwerp)

O je, sie fällt schon wieder.('O je' is een tussenwerpsel, staat voorafgaand aan de zin en mag niet beschouwd worden als het begin van de zin, daarom het vervoegde werkwoord achter het onderwerp.)

O je, da fällt sie schon wieder. ('da' is een bijwoord, staat in het begin van de zin net achter het voorafgaande tussenwerpsel 'o je', daarom het vervoegde werkwoord voor het onderwerp)

Die Rinder wurden zusammengestezt und sie begatten sich schon. ('und' is een voegwoord, staat voorafgaand aan de tweede zin, daarom staat het vervoegde werkwoord achter het onderwerp)

Die Rinder wurden zusammengesetzt und da begatten sie sich schon. ('da' is een bijwoord, staat in het begin van de tweede zin, daarom staat het vervoegde werkwoord voor het onderwerp)

Mein PC steht unterm Tisch, deshalb nimmt er nicht zu viel Platz ein. ('deshalb' is een bijwoord, staat in het begin van de tweede zin, daarom het vervoegde werkwoord voor het onderwerp. Zie hier net onder, voor het woord 'deshalb' als bijwoord.)

Die Polizei vermutete etwas, darum durchstöberte sie die ganze Wohnung. ('darum' is een bijwoord, staat in het begin van de tweede zin, daarom staat het vervoegde werkwoord voor het onderwerp. Zie hier net onder, voor het woord 'deshalb' als bijwoord.)

 

Samenvattend:

Voegwoorden zijn geen zinsdelen en staan aldus nooit in een zin, maar wel voorafgaand eraan.

Het vervoegde werkwoorddeel van een zin staat steeds achter het onderwerp, behalve wanneer een ander zinsdeel dan het onderwerp in het begin van de zin staat, er rekening mee houdend dat voegwoorden en tussenwerpsels nooit in het begin van een zin staan, maar wel voorafgaand aan een zin.

 

Bijwoorden die zich als een voegwoord voordoen

Ter informatie is het nuttig te weten, dat er een aantal bijwoorden zijn, die lijken alsof ze een voegwoord zijn. Zij 'lijken' aldus, zijn het echter niet. Zij beïnvloeden dan ook altijd de plaats van het vervoegde werkwoorddeel in tegenstelling tot echte voegwoorden. Met andere woorden: dergelijke bijwoorden die zich als een voegwoord voordoen, staan slechts schijnbaar voorafgaand aan een zin. In werkelijkheid zijn zij deel van de zin en staan in het begin ervan. Voorbeelden:

Mein PC steht unterm Tisch, deshalb nimmt er nicht zu viel Platz ein. Hier is 'deshalb' een bijwoord. Waarom? Wel, het vervoegde werkwoorddeel is voor het onderwerp verschoven!

Das Geschehen ergeht ihm slecht, trotzdem tut er weiter. Hier is 'trotzdem' een bijwoord. Waarom? Wel, het vervoegde werkwoorddeel is voor het onderwerp verschoven!

Er wurde zu ihrem Nachfolger bestellt, darum hatte er einen neuen Anzug gekauft. Hier is 'darum' een bijwoord. Waarom? Wel, het vervoegde werkwoorddeel is voor het onderwerp verschoven!

Veel gebruikte bijwoorden, die zich schijnbaar als een voegwoord voordoen, zijn außerdem, besonders, dagegen, daher, dann, darum, dennoch, deshalb, folglich, insofern, sonst, teils, trotzdem, zwar.

 

Voegwoorden die zich als een bijwoord kunnen voordoen

Welbepaald drie voegwoorden kunnen zich zowel als een voegwoord alsook als een bijwoord voordoen. Men is daarbij vrij te kiezen om hen als voegwoord of als bijwoord te gebruiken. Daarbij verschuift dan het vervoegde werkwoorddeel, wanneer zij zich in het begin van een zin als een bijwoord voordoen, wat niet het geval is als zij zich als een voegwoord voordoen en dan ook beschouwd worden als voorafgaande aan de zin. Een Nederlandstalige dient hieraan dan ook bijzonder aandacht te besteden. Voorbeelden:

Het Nederlandse "Zij gaat weg, maar zij komt beslist terug" kan op twee manieren vertaald worden: enerzijds Sie geht, doch sie kommt bestimmt wieder. ('doch' als een voegwoord), anderzijds Sie geht, doch kommt sie bestimmt wieder. Bij dat laatste is 'doch' een bijwoord en doet het vervoegde werkwoorddeel verschuiven.

Het Nederlandse "De zon scheen, en toch was het koud" kan op twee manieren vertaald worden: enerzijds Die Sonne schien, jedoch war es kalt. (hier is 'jedoch' een bijwoord en doet het vervoegde werkwoorddeel verschuiven), anderzijds Die Sonne schien, jedoch es war kalt. Bij dat laatste is 'jedoch' een voegwoord en gaat vooraf aan de tweede zin.

Het Nederlandse "Ofwel leven we in vrede, ofwel beleven we een oorlog" kan op twee manieren vertaald worden: enerzijds Entweder leben wir in Frieden, oder wir erleben Krieg. (hier is 'entweder' een bijwoord en doet het vervoegde werkwoorddeel verschuiven, en 'oder' een voegwoord); anderzijds Entweder wir leben in Frieden, oder wir erleben Krieg. Bij dat laatste zijn zowel 'entweder' als 'oder' een voegwoord.

Dit verschijnsel van voegwoorden, die ook als een bijwoord kunnen fungeren, komt slechts voor bij doch, jedoch, entweder...oder.

 

Plaats van een vervangende infinitief voor een voltooid deelwoord

Los van de problematiek rond voegwoorden maar samenhangend met de plaats van een werkwoord, is het goed om even stil te staan bij de plaats van een vervangende infinitief voor een voltooid deelwoord. Wat is dit alweer?

Normalerwijze staat een voltooid deelwoord steeds achter het vervoegde hulpwerkwoord in een zin zoals bij "Ik ben daarheen gegaan". In het Nederlands vervangt men bij sommige werkwoorden het voltooid deelwoord met een infinitief indien er een tweede werkwoord bij gekoppeld is zoals in de zin "Ik heb dat ongeluk zien aankomen". Daarbij is het voltooid deelwoord 'gezien' vervangen door de infinitief 'zien'. Hetzelfde doet zich voor in het Duits. Maar... in het Duits wordt de vervangende infinitief steeds achter het begeleidende werkwoord geplaatst, nooit ervoor. Voorbeelden:

Ich habe das Unglück kommen sehen. (voor "Ik heb dat ongeluk zien aankomen")

Ich habe bei dem Chef kommen müssen. (voor "Ik heb bij de chef moeten komen")

Sie haben den Verunglückten liegen lassen. (voor "zij hebben de verongelukte laten liggen")

 

Het gebruik van een vervangende infinitief voor een voltooid deelwoord is in het Duits verplicht voor alle modale werkwoorden (dürfen, können, mögen, müssen, sollen, wollen), alsook voor het werkwoord bleiben in combinatie met "zu". Voorbeelden:

Sie hätte es tun dürfen.

Wir haben es nicht verhindern können.

Er hatte den Speck nicht essen mögen.

Ich hätte ihn kommen sehen, falls....

Sie hätten sich fügen sollen.

Ich habe gehört, Ihr habt gestern kommen wollen.

Das hättest du nicht zu tun brauchen. (bemerk hier het voegwoordje 'zu')

Opmerking: In het Duits kan men "niet moeten" vertalen door nicht brauchen (zoals in het Nederlandse 'niet hoeven'). Gelieve erop te letten dat men brauchen in deze betekenis enkel en alleen in negaties gebruikt, in 'niet moeten' (zoals men in het Nederlands 'hoeven' met negatie gebruikt). 'Wel moeten' vertaalt men steeds met sollen, müssen.

 

Het gebruik van een vervangende infinitief voor een voltooid deelwoord is in het Duits overwegend van toepassing op de werkwoorden (heißen, lassen, sehen). Maar 'per ongeluk' gebruikt men wel eens het voltooid deelwoord in de plaats ervan, wat niet echt kwalijk wordt genomen. Voorbeeld met vervangende infinitief:

Sie hat es mich tun heißen.

Die Stadt hatte man durch Mauern befestigen lassen.

Wir haben die Gauner über das Land herfallen sehen.

 

Het gebruik van een vervangende infinitief voor een voltooid deelwoord is in het Duits toegelaten voor de werkwoorden (fühlen, helfen, hören). Maar men mag evenzogoed het voltooid deelwoord ervan gebruiken. Voorbeeld met vervangende infinitief:

Er hat sein Ende kommen fühlen.

Das Wetter hat die Elbe überfluten helfen.

Sie hat das Kind nicht schreien hören.

 

In tegenstelling tot het Nederlands gebruik men geen vervangende infinitief voor de werkwoorden (lehren, lernen, machen), hoewel vroeger (in oudere teksten) de vervangende infinitief toch gebruikt werd. Voorbeeld met voltooid deelwoord:

Er hat sie reiten gelehrt.

Sie hat also von ihm reiten gelernt.

Die Politiker haben mich lachen gemacht.

 

Gebruikt men de bovenstaande werkwoorden in de voltooide tijd in combinatie met een ander werkwoord (zoals in "Ik herinner me hem te hebben zien lopen"), staat in het Duits het andere werkwoord vooraan, gevolgd door het voltooid deelwoord van het eerste werkwoord (en dus niet de infiniteif zoals in het Nederlands), en helemaal achteraan het hulpwerkwoord haben met "zu". Voorbeelden:

Ich erinnere mich, ihn laufen gesehen zu haben. ( = Ik herinner me hem te hebben zien lopen.)

Er entsinnt sich öfter, das Ende kommen gefühlt zu haben. ( = Hij herinert er zich tamelijk vaak aan, het einde te hebben voelen komen.)

Sie bedauert so sehr, es nicht verhindern gekonnt zu haben. ( = Zij betreurt het zeer, het niet te hebben kunnen verhinderen.)

 

In stap stap 36 komt een eerste reeks voegwoorden aan bod.

 

 
Lijst van alle stappen



 

Verantwoordelijkheid: Sebastian Norbert Hope, Niedersachsen, Deutschland (zie contact).