U bevindt zich hier: Lijst stappen Stap 34  

STAP 34

Hoofdaccent: Konjunktiv I

 

Indien u nog geen Duits spreekt of nog niet redelijk foutloos kan schrijven, is het aangewezen te starten met de inleidende algemene informatie en de eerste stap.

"Die Liebe sei ohne Falsch."

Zoals uit stappen stap32 en stap33 blijkt, kan de Konjunktiv II gebruikt worden voor onder meer de indirecte rede. Ter herhaling: Bij de indirecte rede gaat het om slechts een mogelijke waarheid, helemaal niet om vaststaande zekerheid. Bijvoorbeeld: Sie sagte, sie wäre krank. Er wordt enkel weergegeven datgene, wat een andere beweert, vandaar de term "indirecte rede" (een rede - uitspraak - die niet direct van de spreker of schrijver afkomstig is, maar indirect van een andere persoon).
De indirecte rede wordt in het Duits meestal uitgedrukt in de Konjunktiv I, veel meer dan in de Konjunktiv II. En eveneens goed te weten: de Konjunktiv I is 'de' aanvoegende wijs bij uitstek in de journalistiek.

SPRAAKKUNST

substantief:   is de naam die gegeven wordt aan een object (bv.: mens, voorwerp) of een niet materieel iets (bv.: gevoelens). Men noemt dit ook een zelfstandig naamwoord.

onderwerp:   veelal de persoon of voorwerp die/dat iets doet in de zin, of waarvan een eigenschap vermeld wordt. Staat in de naamval nominatief.

lijdend voorwerp:   de persoon of het voorwerp waarop de handeling in de zin uitgevoerd wordt. Staat in de naamval accusatief.

meewerkend voorwerp:   de persoon of het voorwerp die met het werkwoord meewerkt. Staat veelal in de datief of anders gekoppeld aan een voorzetsel.

voorzetsel:   een woord dat een bepaalde betrekking weergeeft tussen twee substantieven, of tussen een werkwoord en een substantief.

lidwoord:   een woord dat aan een persoon of een voorwerp voorafgaat en er "lid" van geworden is.

adjectief:   is een woord dat een substantief karakteriseert, er een eigenschap van weergeeft. Het staat bij een substantief. Men noemt het ook een bijvoeglijk naamwoord.

predicatief:   is een adjectief dat een gelijkstelling weergeeft en gekoppeld is aan de werkwoorden "sein, werden, bleiben". Het wordt nooit verbogen.

naamval:    de verandering in een woord (verbuiging) die bepaalt welke woordsoort (bv.: onderwerp, lijdend voorwerp) het woord in de zin is. Belangrijk in het Duits!

verbuigen:    is het aanpassen van het woord aan de noodzakelijke naamval. Een tussenwerpsel of een bijwoord worden nooit verbogen.

nominatief:    is de naamval die bepaalt welke persoon of welk voorwerp het "onderwerp" van de zin is.

genitief:    is de naamval die het bezit van of de afhankelijkheid tegenover een betrokken substantief uitdrukt. Deze naamval wordt ook gebruikt na heel wat voorzetsels.

datief:    is de naamval die bepaalt welke persoon of welk voorwerp het "meewerkend voorwerp" van de zin is, of die verbonden is aan een bepaald voorzetsel.

accusatief:    is de naamval die bepaalt - onder andere - welke persoon of welk voorwerp het "lijdend voorwerp" van de zin is.

voornaamwoord:    woord dat een persoon aanduidt zonder hem of haar expliciet te noemen. "Hem" en "haar", "ik", "jij", "hij", "zij" en zo meer zijn bijvoorbeeld voornaamwoorden.

bijwoord:    is een woord dat een adjectief of een werkwoord nader kan bepalen. Het wordt nooit verbogen en kan uit de zin weggelaten worden, zonder dat de zinsconstructie in gevaar komt.

werkwoord:    is een woord dat de actie of de werking van de zin uitvoert.

vervoegen:    is het aanpassen van een werkwoord aan de persoon, aan de hoeveelheid personen, aan de tijd en aan meer.

deelwoord (Partizip):    is het woord dat deelt in de eigenschappen van meerdere woordsoorten, zoals werkwoorden, adjectieven en substantieven.

 

Vervoeging in de Konjunktiv I.

In tegenstelling tot de Konjunktiv II die de vervoeging van de onvoltooid verleden tijd als uitgangsbasis gebruikt voor de eigen vervoegingen, is de Konjunktiv I initieel opgebouwd vanuit de onvoltooid tegenwoordige tijd. Het resultaat is het volgende:

Persoon denken gehen können
ich denke gehe könne
du denkest gehest könnest
er,sie,es denke gehe könne
wir denken gehen können
ihr denket gehet könnet
sie denken gehen können

 

Het zal u daarbij wel opvallen dat de eerste persoon enkelvoud en meervoud, alsook de derde persoon meervoud volledig gelijk zijn aan de onvoltooid tegenwoordige tijd voor zwakke en sterke werkwoorden. Voor modale werkwoorden is dit het geval voor de eerste en derde persoon meervoud. Dat kan tot verwarringen in zinnen leiden en is dan - net zoals in de Konjunktiv II - aanleiding tot vervangingsmethodes (zie lager in deze stap).

Tevens is het goed te weten, dat alle vervoegingsuitgangen van de Konjunktiv I minstens een "e" bevatten en dat in de derde persoon enkelvoud geen "t"-uitgang gebruikt wordt.

Valt het u ook op, dat de verandering van klinker bij sterke of modale werkwoorden in bepaalde enkelvoudsvormen van de onvoltooid tegenwoordige tijd vervalt in de Konjunktiv I?

Speciaal in de Konjunktiv I is het werkwoord sein, terwijl de twee andere werkwoorden haben, werden normaal vervoegd worden zoals hierboven:

Persoon sein haben werden
ich sei habe werde
du sei(e)st habest werdest
er,sie,es sei habe werde
wir seien haben werden
ihr seiet habet werdet
sie seien haben werden

 

Het werkwoord sein wordt in principe in de Konjunktiv I gelijk aan alle andere werkwoorden vervoegd. Er wordt vertrokken vanuit de stam van het werkwoord "sein". Maar in tegenstelling tot andere werkwoorden wordt de "e" in de vervoegingsuitgang in de Konjunktiv I enkelvoud weggelaten, alhoewel deze "e" toegelaten is (moet niet) in de tweede persoon enkelvoud.

 

Enkele voorbeelden van Konjunktiv I:

Sie sagt, sie sei in Hamburg.

Er meldet, er komme morgen und bringe das Buch mit.

Ich denke, es gebe bald Krach.

 

Nut van de Konjunktiv I

De indirecte rede is het belangrijkste nut van deze aanvoegende wijs, hoewel deze indirecte rede in de gesproken taal meestal uitgedrukt wordt in de Konjunktiv II (vandaar dat men de Konjunktiv I eerder als een onpopulaire aanvoegende wijs beschouwt, ten onrechte...).

Een wens en een aanbeveling worden in de Konjunktiv II uitgedrukt, mogen echter ook in de Konjunktiv I. Voor aanbevelingen is de Konjunktiv I zelfs veel nuttiger dan de Konjunktiv II. Maar ook in deze is het alweer populairder om de Konjunktiv II te gebruiken, ten onrechte alweer...

 

Tijden in de Konjunktiv I

Net zoals in de Konjunktiv II kent men in de Konjunktiv I geen vervoegingen in tijden zoals het heden, het verleden of de toekomst. En toch kan men parallel aan de Konjunktiv II iets of wat een tijdsbegrip in de Konjunktiv I invoeren.

Een onvoltooide actie kan men in de Konjunktiv I uiten door gebruik te maken van de zuivere Konjunktiv-I-vorm, aldus zonder het gebruik van het hulpwerkwoord werden. Enkele voorbeelden:

Sie sagt, sie könne es nicht verwirklichen.

Man folge mir bitte!

Die Liebe sei ohne Falsch!

Man müsse das akzeptieren!

Man nehme 1 kg Zucker und 1 kg Mehl...

 

Een voltooide actie kan men in de Konjunktiv I uiten door gebruik te maken van de hulpwerkwoorden sein en haben in de Konjunktiv I, gevolgd door het voltooid deelwoord van een werkwoord. Zie stap19 voor het gebruik van het juiste hulpwerkwoord sein of haben. Enkele voorbeelden:

Ihr ruft wohl immer, ihr habet das schon geschafft, aber...

Er behauptet, er sei nie eingeladen worden. (voorbeeld van passieve zin)

Es heißt, er habe es nicht getan.

Der Coach ist überzeugt, dass Peter die 100 M nicht geschwommen habe, aber...

 

Een toekomstgericht karakter kan men geven door de Konjunktiv I van het hulpwerkwoord werden te laten volgen door de infinitief van een werkwoord. Hierbij wordt echter niet de würde-vorm gebruikt zoals in de Konjunktiv II (zie echter wel uitzonderingen lager in deze stap). Enkele voorbeelden:

Sie hat uns mitgeteilt, sie werde ins Ausland gehen.

Du werdest bald anders reden können!

Der Chef sagte, man werde den neuen Angestellten noch schätzen.

Werdet ihr nicht besser dran sein, wenn...?

 

 

De würde-vorm in plaast van de Konjunktiv I

De würde-vorm van de aanvoegende wijs mag in de Konjunktiv I gebruikt worden in de gesproken taal.

In de geschreven taal gebruikt men de würde-vorm ter vervanging van de Konjunktiv I alleen maar bij toekomstgerichte uitdrukkingen met het hulpwerkwoord werden (zie hoger), indien er gelijkheid met de onvoltooid tegenwoordige tijd van dit hulpwerkwoord bestaat. Voorbeelden:

Sie sagen, sie würden morgen kommen.

Er sagt, er werde morgen auch kommen. (geen gelijkheid met onv. tegenw. tijd)

Ich sage dir, sie würden morgen kommen.

Wir sagen doch immer wieder, dass wir morgen kommen würden.

Nun reicht's, ihr sagt allzu viel, dass ihr morgen kommen werdet. (geen gelijkheid met onv. tegenw. tijd)

Na, traust du dich noch zu sagen, dass du morgen kommen werdest? (geen gelijkheid met onv. tegenw. tijd)

 

Vervanging Konjunktiv I door de zuivere Konjunktiv II

Wanneer in de geschreven taal buiten een toekomstgerichte uitdrukking met het hulpwerkwoord werden gelijkheid voorkomt tussen de Konjunktiv I en de onvoltooid tegenwoordige tijd, dan vervangt men die Konjunktiv I niet door een würde-vorm, maar wel door de zuivere Konjunktiv II. Voorbeelden:

Der Kleine klagt, er habe Hunger. (geen gelijkheid met onv. tegenw. tijd)

Die Kinder klagen, sie hätten Hunger.

Wir könnten ebenso klagen, dass wir Hunger hätten.

Ja was, klagt ihr nun alle, ihr habet Hunger? (geen gelijkheid met onv. tegenw. tijd)

Ich nicht! Aber... vielleicht könnte ich jedoch sagen, dass ich ohne einen Kuchen irgenwie doch ein bischen Hunger hätte.

Naja, was auch immer, ich gäbe euch nichts zum Knabbern... leider!

 

Bij het doornemen van de aanvoegende wijs in het Duits, zijn we ter inleiding van een bijzin vaak op voegwoorden gebotst, hoewel bijzinnen soms ook zonder inleidend voegwoord kunnen (zie voorbeelden hierboven). Vanaf de volgende stap, stap 35, duiken we in de poel van de voegwoorden zoals dass, denn, da, wenn, falls enzomeer.

 

 
Lijst van alle stappen



 

Verantwoordelijkheid: Sebastian Norbert Hope, Niedersachsen, Deutschland (zie contact).