U bevindt zich hier: Lijst stappen Stap 33  

STAP 33

Hoofdaccent: Konjunktiv II

 

Indien u nog geen Duits spreekt of nog niet redelijk foutloos kan schrijven, is het aangewezen te starten met de inleidende algemene informatie en de eerste stap.

"Wenn es brennt, röche ich es sofort."

Uit stap32 blijkt, dat de Konjunktiv II als een van de vormen van aanvoegende wijs in het Duits gebruikt kan worden voor de indireckte rede, een irrealiteit, een wens, een aanbeveling of een voornemen. Tevens werd naast de zuivere Konjunktiv II ook de würde-vorm behandeld.
Twee problemen blijven nog over: hoe kan men tijden uitdrukken in de aanvoegende wijs, en wanneer is de würde-vorm toegalaten in de geschreven taal?

SPRAAKKUNST

substantief:   is de naam die gegeven wordt aan een object (bv.: mens, voorwerp) of een niet materieel iets (bv.: gevoelens). Men noemt dit ook een zelfstandig naamwoord.

onderwerp:   veelal de persoon of voorwerp die/dat iets doet in de zin, of waarvan een eigenschap vermeld wordt. Staat in de naamval nominatief.

lijdend voorwerp:   de persoon of het voorwerp waarop de handeling in de zin uitgevoerd wordt. Staat in de naamval accusatief.

meewerkend voorwerp:   de persoon of het voorwerp die met het werkwoord meewerkt. Staat veelal in de datief of anders gekoppeld aan een voorzetsel.

voorzetsel:   een woord dat een bepaalde betrekking weergeeft tussen twee substantieven, of tussen een werkwoord en een substantief.

lidwoord:   een woord dat aan een persoon of een voorwerp voorafgaat en er "lid" van geworden is.

adjectief:   is een woord dat een substantief karakteriseert, er een eigenschap van weergeeft. Het staat bij een substantief. Men noemt het ook een bijvoeglijk naamwoord.

predicatief:   is een adjectief dat een gelijkstelling weergeeft en gekoppeld is aan de werkwoorden "sein, werden, bleiben". Het wordt nooit verbogen.

naamval:    de verandering in een woord (verbuiging) die bepaalt welke woordsoort (bv.: onderwerp, lijdend voorwerp) het woord in de zin is. Belangrijk in het Duits!

verbuigen:    is het aanpassen van het woord aan de noodzakelijke naamval. Een tussenwerpsel of een bijwoord worden nooit verbogen.

nominatief:    is de naamval die bepaalt welke persoon of welk voorwerp het "onderwerp" van de zin is.

genitief:    is de naamval die het bezit van of de afhankelijkheid tegenover een betrokken substantief uitdrukt. Deze naamval wordt ook gebruikt na heel wat voorzetsels.

datief:    is de naamval die bepaalt welke persoon of welk voorwerp het "meewerkend voorwerp" van de zin is, of die verbonden is aan een bepaald voorzetsel.

accusatief:    is de naamval die bepaalt - onder andere - welke persoon of welk voorwerp het "lijdend voorwerp" van de zin is.

voornaamwoord:    woord dat een persoon aanduidt zonder hem of haar expliciet te noemen. "Hem" en "haar", "ik", "jij", "hij", "zij" en zo meer zijn bijvoorbeeld voornaamwoorden.

bijwoord:    is een woord dat een adjectief of een werkwoord nader kan bepalen. Het wordt nooit verbogen en kan uit de zin weggelaten worden, zonder dat de zinsconstructie in gevaar komt.

werkwoord:    is een woord dat de actie of de werking van de zin uitvoert.

vervoegen:    is het aanpassen van een werkwoord aan de persoon, aan de hoeveelheid personen, aan de tijd en aan meer.

deelwoord (Partizip):    is het woord dat deelt in de eigenschappen van meerdere woordsoorten, zoals werkwoorden, adjectieven en substantieven.

 

Tijden in de Konjunktiv II.

De aanvoegende wijs, Konjunktiv I en Konjunktiv II, kent geen tijden zoals het heden, het verleden of de toekomst. En toch kan men iets of wat een tijdsbegrip in de Konjuntkiv II invoeren.

Een onvoltooide actie kan men in de Konjunktiv II uiten door gebruik te maken van de zuivere Konjunktiv-II-vorm, aldus zonder het gebruik van würde-vorm (zie stap32). Enkele voorbeelden waarbij men een onvoltooide tijd in de Konjunktiv II kan simuleren:

Sie sagt übers Handy, dass sie in Hamburg wäre. (Beter is hier de Konjunktiv I, zie volgende stap)

Hans sagt, dass er heute eingeladen würde. (voorbeeld van passieve zin)

Ich denke, es gäbe dort was.

Käme er ohne Zwang zu Anerkennung von...?

Warum arbeitetet ihr bei dieser Hitze?

 

Een voltooide actie kan men in de Konjunktiv II uiten door gebruik te maken van de hulpwerkwoorden sein en haben in de Konjunktiv II, gevolgd door het voltooid deelwoord van een werkwoord. Zie stap19 voor het gebruik van het juiste hulpwerkwoord sein of haben. Enkele voorbeelden waarbij men een voltooide tijd in de Konjunktiv II kan simuleren:

Er sagt, den Film hätte er in Berlin gesehen.

Sie behauptet, sie wäre eingeladen worden. (voorbeeld van passieve zin)

Man erzählte uns, dass sie die 100M am schnellsten gelaufen wäre.

Wärest du schneller geschwommen?

Die Veranstaltung hätte schon begonnen, wäre es nicht, dass es noch immer regnet.

 

Een toekomstgericht karakter kan men geven door de Konjunktiv II van het hulpwerkwoord werden te laten volgen door de infinitief van een werkwoord, de würde-vorm aldus. Enkele voorbeelden waarbij men een toekomstgerichte tijd in de Konjunktiv II kan simuleren:

Wenn er morgen nach Berlin gehen würde, wäre ich dabei.

Sie behauptet, er würde bestimmt eingeladen worden, falls er ein bischen freundlicher wäre. (voorbeeld van passieve zin)

Das würde ich von ihm nie erwarten.

Würdest du gehen, falls er dich einladen würde?

Wenn es schneien würde, dann würde ich zu Hause bleiben.

 

De würde-vorm in de geschreven taal.

In stap32 zagen we dat men in de gesproken taal de Konjunktiv II steeds mag vervangen door de würde-vorm, maar dat men dit niet doet voor de werkwoorden sein, haben, werden en voor alle modale werkwoorden dürfen, können, müssen, mögen, sollen, wollen. Bovendien gebruikt men in de gesproken taal toch vaak de zuivere Konjunktiv II voor eenvoudige sterke werkwoorden zoals kommen, geben, vooral wanneer er teveel gebruik zou gemaakt worden van de würde-vorm in één zin. Enkele voorbeelden uit de gesproken taal:

Ich käme gar nicht, wenn es schneien würde.

Gingest du, wenn es frieren würde?

 

In de geschreven taal gebruikt men de würde-vorm slechts in welbepaalde omstandigheden. Vooreerst gebruikt men de würde-vorm om uitdrukkelijk een toekomstgerichte actie weer te geven (zie hierboven). Nog enkele voorbeelden:

Wenn du morgen gehen würdest, dann wäre es noch früh genug.

Würdest du gehen, wenn es Morgen schneien würde?

 

Tevens gebruikt men de würde-vorm in de geschreven taal om misverstanden uit de weg ruimen, wanneer de Konjunktiv II overeenkomt met de onvoltooid verleden tijd. Dat is het geval voor alle regelmatige (zwakke) werkwoorden en voor de eerste en derde persoon meervoud van de onregelmatige (sterke) werkwoorden. Voorbeelden:

Ich würde sehr wohl leben, wenn ich mal reich wäre. Dit in de plaats van "Ich lebte sehr wohl, wenn ich mal reich wäre."

Es ist dort wunderschön, sonst würden wir dort nicht wohnen. Dit in de plaats van "Es ist dort wunderschön, sonst wohnten wir dort nicht."

Wenn Sie rufen würden, dann hörte ich es sicherlich. Dit in de plaats van "Wenn Sie riefen, dann hörte ich es sicherlich.". Bemerk hierbij, dat men toch de zuiver Konjunktiv II gebruikt voor het tweede werkwoord (hören) ondanks de gelijkheid met de onvoltooide verleden tijd, dit gezien de aanvoegende wijs reeds duideliujk gemaakt is door de würde-vorm van het eerste werkwoord (rufen). U zou even goed het eerste werkwoord in de zuivere Konkuntiv II kunnen plaatsen, en tegelijk het tweede werkwoord in de würde-vorm, waardoor eveneens de aanvoegende wijs duidelijk weergegeven is: Wenn Sie riefen, dann würde ich es sicherlich hören.
In enkele hogere voorbeelden in deze stap waarbij tweemaal de würde-vorm gebruikt werd, zou u dit principe ook kunnen toepassen.

 

Zoals we in stap32 gezien hebben, kunnen een aantal sterke werkwoorden in twee zuivere Konjunktiv-II-s weergegeven worden, zoals het werkwoord gewinnen -> ich gewönne/ich gewänne of beginnen -> ich begönne/ich begänne of rinnen -> er ränne/er rönne of stehen -> er stände/er stünde. Zie lijst van sterke werkwoorden voor nog meer dergelijk voorbeelden. In al deze gevallen mag men in de geschreven taal de würde-vorm gebruiken. Voorbeelden:

Wenn ich das Lotto gewinnen würde, dann...

Nanu, noch immer nicht an der Arbeit? Ich würde mal schnell beginnen.

Hätte ich Geld, es würde mir durch die Finger rinnen.

Würdest du gehen, falls er dich einladen würde?

 

In alle andere gevallen is het sterk aanbevolen om in de geschreven taal de zuivere Konjunktiv II voor sterke werkwoorden te gebruiken. Voorbeelden:

Wenn es brennt, röche ich es sofort.

Es sagt, er schlüge nie einen Menschen.

Bätest du um Hilfe?

So ein steiler Abhang! Drauf klömme ich nie.

 

Tot hier deze 'kleinere' stap. In stap 34 benaderen we het gebruik van de Konjunktiv I.

 

 
Lijst van alle stappen



 

Verantwoordelijkheid: Sebastian Norbert Hope, Niedersachsen, Deutschland (zie contact).