U bevindt zich hier: Lijst stappen Stap 32  

STAP 32

Hoofdaccent: Konjunktiv II

 

Indien u nog geen Duits spreekt of nog niet redelijk foutloos kan schrijven, is het aangewezen te starten met de inleidende algemene informatie en de eerste stap.

"Wenn sie kommen würde, wäre ich froh."

Een bijzondere moeilijkheid in het Duits is het gebruik van de aanvoegende wijs bij werkwoorden. In het Nederlands gebruikt men daartoe het hulpwerkwoord 'zouden', zoals in "Als ik jou was, zou ik dat niet doen". In het Duits zijn er drie mogelijkheden om de aanvoegende wijs weer te geven: de Konjunktiv I, de Konjunktiv II en een speciale constructie met het hulpwerkwoord "werden". Die laatste mogelijkheid wordt benut voor zowel omstandigheden in de Konjunktiv I als in de Konjunktiv II, en is zeer populair in de gesproken taal en soms noodzakelijk in de geschreven taal. Wat is dat allemaal, zal u zich afvragen...

SPRAAKKUNST

substantief:   is de naam die gegeven wordt aan een object (bv.: mens, voorwerp) of een niet materieel iets (bv.: gevoelens). Men noemt dit ook een zelfstandig naamwoord.

onderwerp:   veelal de persoon of voorwerp die/dat iets doet in de zin, of waarvan een eigenschap vermeld wordt. Staat in de naamval nominatief.

lijdend voorwerp:   de persoon of het voorwerp waarop de handeling in de zin uitgevoerd wordt. Staat in de naamval accusatief.

meewerkend voorwerp:   de persoon of het voorwerp die met het werkwoord meewerkt. Staat veelal in de datief of anders gekoppeld aan een voorzetsel.

voorzetsel:   een woord dat een bepaalde betrekking weergeeft tussen twee substantieven, of tussen een werkwoord en een substantief.

lidwoord:   een woord dat aan een persoon of een voorwerp voorafgaat en er "lid" van geworden is.

adjectief:   is een woord dat een substantief karakteriseert, er een eigenschap van weergeeft. Het staat bij een substantief. Men noemt het ook een bijvoeglijk naamwoord.

predicatief:   is een adjectief dat een gelijkstelling weergeeft en gekoppeld is aan de werkwoorden "sein, werden, bleiben". Het wordt nooit verbogen.

naamval:    de verandering in een woord (verbuiging) die bepaalt welke woordsoort (bv.: onderwerp, lijdend voorwerp) het woord in de zin is. Belangrijk in het Duits!

verbuigen:    is het aanpassen van het woord aan de noodzakelijke naamval. Een tussenwerpsel of een bijwoord worden nooit verbogen.

nominatief:    is de naamval die bepaalt welke persoon of welk voorwerp het "onderwerp" van de zin is.

genitief:    is de naamval die het bezit van of de afhankelijkheid tegenover een betrokken substantief uitdrukt. Deze naamval wordt ook gebruikt na heel wat voorzetsels.

datief:    is de naamval die bepaalt welke persoon of welk voorwerp het "meewerkend voorwerp" van de zin is, of die verbonden is aan een bepaald voorzetsel.

accusatief:    is de naamval die bepaalt - onder andere - welke persoon of welk voorwerp het "lijdend voorwerp" van de zin is.

voornaamwoord:    woord dat een persoon aanduidt zonder hem of haar expliciet te noemen. "Hem" en "haar", "ik", "jij", "hij", "zij" en zo meer zijn bijvoorbeeld voornaamwoorden.

bijwoord:    is een woord dat een adjectief of een werkwoord nader kan bepalen. Het wordt nooit verbogen en kan uit de zin weggelaten worden, zonder dat de zinsconstructie in gevaar komt.

werkwoord:    is een woord dat de actie of de werking van de zin uitvoert.

vervoegen:    is het aanpassen van een werkwoord aan de persoon, aan de hoeveelheid personen, aan de tijd en aan meer.

deelwoord (Partizip):    is het woord dat deelt in de eigenschappen van meerdere woordsoorten, zoals werkwoorden, adjectieven en substantieven.

 

Noodzaak van de aanvoegende wijs.

De aanvoegende wijs noemt men in het Duits - zoals hierboven vermeld - de Konjunktiv. Die wijs wordt in het Duits ook wel de "Möglichkeitsform" genaamd, de 'mogelijkheidswijs'. Het gaat daarbij immers om slechts een mogelijke waarheid, helemaal geen zekerheid. Bijvoorbeeld: Sie sagte, sie wäre krank. Daarbij wordt helemaal niet gesteld, dat zij ziek is (wat in het Duits zou luiden Sie ist krank). In de aanvoegende wijs wordt enkel weergegeven datgene, wat een andere beweert te zeggen, zonder enige zekerheid te hebben over de juistheid van die bewering. Gezien het daarbij gaat om de bewering van een andere, spreekt men over de "indirecte rede" (een rede die niet direct van u afkomstig is, maar indirect van een andere persoon). Deze term zouden we best goed onthouden.

Buiten de indirecte rede wordt de Konjunktiv ook gebruikt om datgene uit te drukken dat men zich zou wensen of dat men zich inbeeldt. Daarbij gaat het alweer over iets, waarover geen enkele zekerheid bestaat. Bijvoorbeeld: Ohne dich wäre es nicht passiert. Wat men zich wens of wat men zich inbeeldt, noemt men de "irrealiteit". Ook deze term zouden we best goed onthouden.

Sammenvattend:

De aanvoegende wijs, Konjunktiv, doet zich voor bij het weergeven van de indirecte rede en de irrealiteit, alsook bij enkele andere mogelijkheden (zie helemaal onderaan deze stap).

 

Vervoeging in de Konjunktiv II.

We concentreren ons op de Konjunktiv II. De Konjunktiv I laten we nog even terzijde. Tenslotte gebruikt men die relatief zelden (meestal in de journalistiek).

Hoe vervoegt men een werkwoord in de Konjunktiv II? Wel... bekijk even volgende voorbeelden en er zal u een en ander lichtje opgaan:

Verleden tijd Konjunktiv II
ich lebte ich lebte
ich redete ich redete
ich atmete ich atmete
ich biss ich bisse
ich ging ich ginge
ich gab ich gäbe
ich bot ich böte
ich schuf ich schüfe
ich war ich wäre
ich wurde ich würde

 

Vaststellingen:

De drie eerste voorbeelden komen uit zwakke werkwoorden (regelmatige werkwoorden). Valt het op, dat er bij deze werkwoorden geen enkel - geen enkel! - verschil is tussen de verleden tijd en de Konjunktiv II? Vreemd niet? Begrijpt u al, waarom men de Konjunktiv II vaak vervangt door de derde Konjunktiv-vorm met het hulpwerkwoord "werden"? De verwarring met de verleden tijd is immers veel te groot! In plaats van "ich lebte" in de Konjunktiv II zegt men aldus "ich würde leben". Daarover valt later nog een woordje te zeggen...

De overige voorbeelden komen uit sterke werkwoorden (onregelmatige werkwoorden) of speciale werkwoorden. Daarbij zal het u opvallen, dat de Konjunktiv II afgeleid wordt van de verleden tijd. Maar de verleden tijd in bijvoorbeeld "ich biss" wordt aangevuld met een "e": "ich bisse". Bovendien is het merkwaardig, dat bij deze werkwoorden waar mogelijk de stamklinker uit de verleden tijd veranderd wordt in een klinker met Umlaut.

Tja, en om het nu nog lastiger te maken:

De Konjunktiv II van het werkwoord "helfen" is "ich hülfe" daar, waar de verleden tijd "ich half" is en u dan ook "ich hälfe" zou verwachten. Waarom dan die rare vorm met een "ü"? Wel... in een ver verleden was in het Duits de stamklinker van een werkwoord in het enkelvoud verschillend van de stamklinker in het meervoud bij vervoegingen. Bijvoorbeeld de verleden tijd van "helfen" was toen: "ich half, du halfst, er half, wir hulfen, ihr hulfet, sie hulfen". Vandaar die rare Konjunktiv II, met een Umlaut dan wel. Vroeger was die Konjunktiv II: "ich hälfe, du hälfest, er hälfe, wir hülfen, ihr hülfet, sie hülfen". Ach ja, tegenwoordig heeft men (vrij willekeurig) de keuze gemaakt en is het zowel in het enkelvoud als in het meervoud "ich hülfe, du hülfest, er hülfe, wir hülfen, ihr hülfet, sie hülfen" geworden. Zo zijn er sterke werkwoorden waarvoor tegenwoordig (alweer vrij willekeurig) twee Konjunktiv II's toegelaten zijn. Een voorbeeld: verleden tijd van vroeger "ich gewann, du gewannst, er gewann, wir gewonnen, ihr gewonnt, sie gewonnen" en vandaar dat tegenwoordig de Konjunktiv II kan gevormd worden uit "ich gewänne" of "ich gewönne".

Wat een soep, zal u denken... en terecht! Daarom aldus, dat ook bij sterke werkwoorden de derde Konjunktiv-vorm met het hulpwerkwoord "werden" zeer populair is. Zo zegt men in de plaats van "ich gewänne" of "ich gewönne" gewoonweg "ich würde gewinnen". Daarover valt later nog een woordje te zeggen...

Al met al is het Nederlands wel heel wat eenvoudiger, waar altijd het hulpwerkwoord "zouden" gebruikt wordt. En ja, als u de mogelijkheid van Konjunktiv met het hulpwerkwoord "werden" bekijkt, dan kan u al vermooeden, dat in een verre toekomst deze vorm wel eens algemeen zou kunnen worden...

 

De vervoeging van zwakke werkwoorden in de Konjunktiv II:

Persoon leben sagen
ich lebte sagte
du lebtest sagtest
er,sie,es lebte sagte
wir lebten sagten
ihr lebtet sagtet
sie lebten sagten

 

Bij de vervoeging van zwakke werkwoorden in de Konjunktiv II gelden dezelfde problemen als bij de vervoeging van de verleden tijd. Dus geldt zoals gezien in stap 10: Als de stam van een Duits werkwoord eindigt op een "t" of een "d" zoals in "arbeiten" en "baden" dan plaatst men een "e" tussen de stam en de uitgang van de vervoeging in de verleden tijd en de Konjuntiv II.

Persoon arbeiten baden
ich arbeitete badete
du arbeitetest badetest
er,sie,es arbeitete badete
wir arbeiteten badeten
ihr arbeitetet badetet
sie arbeiteten badeten

 

Eveneens geldt dan ook volgende regel bij de Konjunktiv II: Als de stam van een Duits werkwoord eindigt op een "m" of een "n" EN er net daarvoor een medeklinker staat, dan plaatst men steeds een "e" tussen de stam en de vervoeging in de verleden tijd en in de Konjuntiv II.

Persoon atmen rechnen
ich atmete rechnete
du atmetest rechnetest
er,sie,es atmete rechnete
wir atmeten rechneten
ihr atmetet rechnetet
sie atmeten rechneten

 

Op de hier net bovenstaande regel geldt dan ook volgende uitzondering in de Konjunktiv II: Als in het bovenstaande geval aan de "m" of de "n" een "L" of een "r" voorafgaat, dan voegt men geen extra "e" in, en wordt de vervoeging normaal in de verleden tijd en in de Konjunktiv II.

Persoon lernen qualmen
ich lernte qualmte
du lerntest qualmtest
er,sie,es lernte qualmte
wir lernten qualmten
ihr lerntet qualmtet
sie lernten qualmten

 

De werkwoorden sein, haben, werden worden in de Konjunktiv II verbogen zoals de sterke werkwoorden, namelijk: de verleden tijd als basis met daarbij een Umlaut op de stamklinker en minstens een uitgang "e":

Persoon sein haben werden
ich wäre hätte würde
du wärest hättest würdest
er,sie,es wäre hätte würde
wir wären hätten würden
ihr wäret hättet würdet
sie wären hätten würde

 

Voor elk sterk of speciaal werkwoord kan u links naar de vervoeging in de Konjunktiv II terugvinden in volgende lijst .

 

 

De würde-vorm van de Konjunktiv II

Zoals hierboven vermeld, kan men de Konjunktiv II van een werkwoord vervangen door een constructie met het hulpwerkwoord "werden". Daartoe wordt dit hulpwerkwoord vervoegd in de Konjunktiv II en gevolg door de infinitief van het betrokken werkwoord, zoals in "ich würde arbeiten". Deze würde-vorm is dan de ideale oplossing om alle problemen in de Konjunktiv II te omzeilen, zoals de gelijkheid met de verleden tijd bij zwakke werkwoorden en zoals de soms wel vreemde Konjunktiv II van sterke werkwoorden.

Daarom is in de gesproken taal de würde-vorm altijd en in elke omstandigheid toegelaten. Zo bijvoorbeeld:

Wenn sie kommen würde, würde ich froh sein.

Ohne ihn würde sie nie glücklich werden.

Sie sagte, dass er bald kommen würde.

Ich würde morgen heimkehren.

Warum würdet ihr euch totarbeiten?

Sie würden das nie tun dürfen.

 

Bovenstaande voorbeelden zijn in de gesproken taal toegelaten, nochtans gebruikt men in de gesproken taal steeds de oorspronkelijke Konjunktiv II voor de werkwoorden sein, haben, werden en voor alle modale werkwoorden dürfen, können, müssen, mögen, sollen, wollen. Zo worden enkele voorbeelden van hierboven, aangevuld met andere voorbeelden:

Wenn sie kommen würde, wäre ich froh.

Ohne ihn würde sie nie glücklich.

Sie sagte, er hätte kein Auto.

Sie dürfte das nie tun.

Wie könnte ich dir etwas Böse antun?

Solcher Krach! Das müsste wohl der Frank sein.

Ich möchte gern ein Bierchen.

Ihr solltet gehorchen, ja!

Wolltest du dann sterben, oder?

Opmerking: De Konjunktiv II van modale werkwoorden wordt zoals bij elk sterk werkwoord gevormd door de verleden tijd met een stamklinker die waar mogelijk omgevormd wordt tot die klinker met een Umlaut, behalve... bij de modale werkwoorden sollen, wollen, waarbij de Konjunktiv II volledig gelijk is aan de verleden tijd (en toch vervangt men die Konjunktiv II niet met de würde-vorm ter uitschakeling van verwarringen - dat is een grote uitzondering).

Opmerking: Bemerk dat men de Konjunktiv II ook gebruikt voor aanbevelingen zoals in Ihr solltet gehorchen, ja! (= Jullie zouden moeten gehoorzamen!) of in Es wäre besser, das zu tun. Ook gebruikt men de Konjunktiv II voor een voornemen, zoals in Wolltest du dann sterben, oder? (= Zou jij dan willen sterven?). Algemeen kan men dan ook samenvatten: De Konjunktiv II gebruikt men voor de indirecte rede, een irrealiteit, aanbevelingen en voornemens.

 

In de geschreven taal is - in tegenstelling tot de gesproken taal - de würde-vorm slechts toegelaten in wel omschreven en relatief beperkende omstandigheden. Dat zullen we in de volgende stap, stap 33, zien. Daartoe moeten we immers vooraf weten hoe men tijden kan uitdrukken in de Konjunktiv II zoals tegenwoordige en verleden tijd.

 

 
Lijst van alle stappen



 

Verantwoordelijkheid: Sebastian Norbert Hope, Niedersachsen, Deutschland (zie contact).