U bevindt zich hier: Lijst stappen Stap 31  

STAP 31

Hoofdaccent: Bijwoorden

 

Indien u nog geen Duits spreekt of nog niet redelijk foutloos kan schrijven, is het aangewezen te starten met de inleidende algemene informatie en de eerste stap.

"Woran fehlt es dir?"

In de eerste dertig stappen hebben we - naast noodzakelijke vervoegingen van werkwoorden - de verbuiging van woorden doorgenomen. Zonder die verbuiging zou een Duitse zin totaal onbegrijpelijk zijn. Dat is u ondertussen wel klaar en duidelijk. Dergelijke verbuigingen kunnen alleen bij substantieven, adjectieven en voornaamwoorden voorkomen, en zijn steeds het gevolg van de functie van een zinsdeel in de gehele zin, het gevolg van het gebruik van een welbepaald werkwoord of voorzetsel.

In het komende tweede deel van deze cursus, onderzoeken we hoe we meerdere zinnen aan elkaar kunnen koppelen. Dat is een absolute noodzaak om zich uit te kunnen drukken. Zo bijvoorbeeld zegt men niet "Ik ben verkouden. Ik zat voortdurend in de tocht", maar wel "Ik ben verkouden, omdat ik voortdurend in de tocht zat". Bij het samenstellen van meerdere zinnen komt zo een en ander kijken...
Daaraan voorafgaande is het nuttig om meer te weten over bijwoorden en over de aanvoegende wijs van werkwoorden.

Vanaf dit tweede deel wordt nog enkel de uitspraak weergegeven als zij speciaal is of als zij extra aandacht vraagt.

In deze relatief korte stap doorlopen we het verschijnsel van bijwoorden in een zin, zoals het woord 'vandaag' in de zin "Vandaag reizen we naar Duitsland".

SPRAAKKUNST

substantief:   is de naam die gegeven wordt aan een object (bv.: mens, voorwerp) of een niet materieel iets (bv.: gevoelens). Men noemt dit ook een zelfstandig naamwoord.

onderwerp:   veelal de persoon of voorwerp die/dat iets doet in de zin, of waarvan een eigenschap vermeld wordt. Staat in de naamval nominatief.

lijdend voorwerp:   de persoon of het voorwerp waarop de handeling in de zin uitgevoerd wordt. Staat in de naamval accusatief.

meewerkend voorwerp:   de persoon of het voorwerp die met het werkwoord meewerkt. Staat veelal in de datief of anders gekoppeld aan een voorzetsel.

voorzetsel:   een woord dat een bepaalde betrekking weergeeft tussen twee substantieven, of tussen een werkwoord en een substantief.

lidwoord:   een woord dat aan een persoon of een voorwerp voorafgaat en er "lid" van geworden is.

adjectief:   is een woord dat een substantief karakteriseert, er een eigenschap van weergeeft. Het staat bij een substantief. Men noemt het ook een bijvoeglijk naamwoord.

predicatief:   is een adjectief dat een gelijkstelling weergeeft en gekoppeld is aan de werkwoorden "sein, werden, bleiben". Het wordt nooit verbogen.

naamval:    de verandering in een woord (verbuiging) die bepaalt welke woordsoort (bv.: onderwerp, lijdend voorwerp) het woord in de zin is. Belangrijk in het Duits!

verbuigen:    is het aanpassen van het woord aan de noodzakelijke naamval. Een tussenwerpsel of een bijwoord worden nooit verbogen.

nominatief:    is de naamval die bepaalt welke persoon of welk voorwerp het "onderwerp" van de zin is.

genitief:    is de naamval die het bezit van of de afhankelijkheid tegenover een betrokken substantief uitdrukt. Deze naamval wordt ook gebruikt na heel wat voorzetsels.

datief:    is de naamval die bepaalt welke persoon of welk voorwerp het "meewerkend voorwerp" van de zin is, of die verbonden is aan een bepaald voorzetsel.

accusatief:    is de naamval die bepaalt - onder andere - welke persoon of welk voorwerp het "lijdend voorwerp" van de zin is.

voornaamwoord:    woord dat een persoon aanduidt zonder hem of haar expliciet te noemen. "Hem" en "haar", "ik", "jij", "hij", "zij" en zo meer zijn bijvoorbeeld voornaamwoorden.

bijwoord:    is een woord dat een adjectief of een werkwoord nader kan bepalen. Het wordt nooit verbogen en kan uit de zin weggelaten worden, zonder dat de zinsconstructie in gevaar komt.

werkwoord:    is een woord dat de actie of de werking van de zin uitvoert.

vervoegen:    is het aanpassen van een werkwoord aan de persoon, aan de hoeveelheid personen, aan de tijd en aan meer.

deelwoord (Partizip):    is het woord dat deelt in de eigenschappen van meerdere woordsoorten, zoals werkwoorden, adjectieven en substantieven.

 

Functie van een bijwoord in een zin.

Bijwoorden, "das Adverb" in het Duits, geven een tijdsbepaling, een plaatsbepaling, een modaliteit of een causaliteit aan. Die laatste twee begrippen worden zo dadelijk duidelijker. Zonder bijwoorden is een zin of een uitspraak vaak magertjes, pover, saai of vaak niet overeenkomend met wat men bedoelt. Enkele voorbeelden van bijwoorden:

Tijdsbepaling "soeben": Soeben war das anders.

Tijdsbepaling "gestern": Mann, Mann, Mann, was hat es gestern geschneit!

Plaatsbepaling "dort": Dort steht er.

Plaatsbepaling "rechts": Wir sollen rechts abbiegen.

Modaliteit "besonders": Er hat besonders gut gespielt.

Modaliteit "wahrscheinlich": Sie leidet wahrscheinlich an dem Benehmen ihres Kindes.

Causaliteit "deswegen": Deswegen is er anders geworden.

Causaliteit "sonst": Mach das jetzt, sonst wird sie böse!

Ter informatie: Uit bovenstaande voorbeelden blijkt aldus dat een modaliteit kleur geeft aan een uitspraak, daar waar een causaliteit de oorzaak, het gevolg of de voorwaarde van een uitspraak weergeeft.

 

Gevolgen van de plaats van een bijwoord in een zin.

Midden in een zin heeft een bijwoord geen enkel gevolg voor de constructie van een zin. Men kan dat bijwoord altijd weglaten, zonder dat de zin daarbij geschaadt wordt. Wel verdwijnt bij het weglaten van het bijwoord de tijdsbepaling, plaatsbepaling, modaliteit of causaliteit. Voorbeelden:

"heute": Mann, Mann, Mann, was hat es heute geschneit! Bij het weglaten van het bijwoord wordt de zin niet aangetast: Mann, Mann, Mann, was hat es geschneit!

"seinetwegen": Wir kommen seinetwegen zurück. Bij het weglaten van het bijwoord wordt de zin niet aangetast: Wir kommen zurück.

Ziet u het? Andere woorden dan bijwoorden kan men meestal niet weglaten zonder de zin te schaden. Laat maar even een woord weg uit volgende zin: Sie waren zusammen, en de zin zal steeds spaak lopen...

 

Vooraan in een zin bepaalt een bijwoord de plaats van het onderwerp en het werkwoord zeer, net zoals in het Nederlands. Normalerwijze staat het onderwerp steeds voor een werkwoord, maar indien de zin begint met een bijwoord, wordt het onderwerp steeds na het werkwoord geplaatst. Dat is zeer belangrijk om het onderscheid te kunnen maken tussen een bijwoord en een voegwoord (dat we later zullen leren kennen). Laat men het bijwoord (dat in het begin van een zin staat) weg, dan moet men de plaats van onderwerp en werkwoord verwisselen. Voorbeelden:

"scheinbar": Scheinbar ist der Zustand gut. Bij het weglaten van het bijwoord wordt de zin wel aangetast zoals Ist der Zustand gut, tenzij men onderwerp en werkwoord van plaats verandert zoals in Der Zustand ist gut.

"jahrelang": Jahrelang waren sie zusammen. Bij het weglaten van het bijwoord wordt de zin wel aangetast zoals Waren sie zusammen, tenzij men onderwerp en werkwoord van plaats verandert zoals in Sie waren zusammen.

 

Voornaamwoordelijke bijwoorden.

Net zoals in het Nederlands kan men tal van bijwoorden vormen door de woorden da, hier, wo te koppelen aan voorzetsels. Met dergelijke bijwoorden kan men een voorwerp en soms een persoon vervangen in de zin. Het zijn dan ook bijwoorden die zich voornaamwoordelijk gedragen (net zoals een voornaamwoord een voorwerp of persoon kan vervangen). Voorbeelden van dergelijke speciale bijwoorden:

Ich fahre mit meinem neuen Boot kan worden: Damit fahre ich. (bemerk de verwisseling van plaats voor het onderwerp en werkwoord, gezien het bijwoord vooraan staat.)

Er freut sich auf die Ferien kan worden: Er freut sich darauf.

Spricht er über Finanzprobleme? kan worden: Worüber spricht er?

Gegen seine Thesen fiel mir nichts ein kan worden: Hiergegen fiel mir nichts ein.

 

Alleen de voornaamwoordelijke bijwoorden darunter, davon mogen gebruikt worden om personen in een zin te vervangen, geen enkel ander voornaamwoordelijk bijwoord mag aldus een persoon in de zin vervangen. Voorbeelden:

Ich musterte die Ankommenden und entdeckte darunter meine Freundin.

Sie hatte vier Söhne, aber nur einer davon ist noch am Leben.

Ich kann mich auf meinen Freund verlassen kan worden: Ich kann mich auf ihn verlassen. Voornaamwoordelijk bijwoord darauf is voor personen niet toegelaten.

 

Voornaamwoordelijke bijwoorden ter vervanging van het vragend voornaamwoord "was" in de datief.

Zoals we gezien hebben in stap 15, bestaat de datief niet voor het vragend voornaamwoord was. In de plaats daarvan gebruikt men in het Duits een voornaamwoordelijk bijwoord, opgebouwd uit wo en een voorzetsel. Voorbeelden:

Wozu soll das gut sein?

Woran fehlt es dir?

Ter informatie: In de gesproken taal - niet in de geschreven taal! - lost men vaak dit gebrek aan datief voor het vragend voornaamwoord was op, door in de plaats ervan een accusatief te gebruiken, ongeacht of het voorzetsel een datief vereist of niet! Zo bijvoorbeeld: Zu was soll das gut sein? en Mit was spielst du da? en Nach was suchen Sie? Dat mag - ter herhaling - enkel in de gesproken taal!

Ter informatie: In de gesproken taal - niet in de geschreven taal! - mag men een voornaamwoordelijk bijwoord dat samengesteld is uit da, afgekort gebruiken zoals drüber, dran, drauf, drunter, drum.

 

Adjectieven als bijwoord.

Vreemd genoeg kunnen adjectieven zich in een zin gedragen als een bijwoord. Kan u het gevolg daarvan reeds vermoeden? Jawel, in dat geval worden die adjectieven nooit verbogen, precies omdat zij als bijwoord gebruikt worden. Het gaat hier om adjectieven die iets zeggen over de wijze waarop een werkwoord handelt. Voorbeelden:

Sie arbeitet fleißig.

Wir schlugen den Baum schnell.

Sie studierten intensiv.

Das Schiff rostet langsam.

Ter informatie: Zulke bijwoordelijk gebruikte adjectieven komen overeen met adjectieven die als een 'gezegde' benut worden na de werkwoorden sein, bleiben, werden. Ook dan worden die adjectieven als gezegde nooit verbogen zoals in Er ist fleißig of in Sie bleibt immer schön of in Wir werden müde.

Ter informatie: Herinnert u zich, dat ook voorzetsels zich in bepaalde omstandigheden als een bijwoord kunnen gedragen? Herlees desnoods de stappen 21 tot en met 30. Zo bijvoorbeeld is bis in de zin Bis gegen den frühen Morgen wird es schneien een bijwoord. Men kan het immers weg laten vallen zonder dat de zin aangetast wordt: Gegen den frühen Morgen wird es schneien.

 

Trappen van vergelijking bij bijwoord.

Bijwoorden kunnen nooit verbogen worden... nooit! Maar sommige bijwoorden kunnen wel gebruikt worden in de drie trappen van vergelijking, net zoals adjectieven. Over die trappen van vergelijking volgt later een afzonderlijke stap in deze cursus...

 

Voegwoordelijke bijwoorden.

In de komende stappen worden de voegwoorden behandeld en hun invloed op de plaats van de zinsdelen in een zin. Een voegwoord kan zinsdelen of zinnen met elkaar verbinden zoals bijvoorbeeld "en" in "een auto en een vrachtwagen" of "omdat" in "Ik ben verkouden, omdat ik gisteren voortdurend in de tocht stond." Nu zijn er een heel stel bijwoorden die zich als een voegwoord kunnen gedragen en aldus zinnen met elkaar kunnen verbinden, zoals hierboven reeds een voorbeeld te vinden is: Mach das jetzt, sonst wird sie böse!. Ja... en zelfs het omgekeerde is mogelijk: sommige voegwoorden kunnen zich gedragen als een gewoon bijwoord.
Dit thema van voegwoordelijke bijwoorden komt dan ook in de volgende stappen uitvoerig aan bod.

 

In de volgende stap, stap 32, wordt ter voorbereiding van het gebruik van voegwoorden, de aanvoegende wijs van werkwoorden doorgenomen. Daarbij zullen we beginnen met wat men in het Duits de Konjuktiv II noemt.

 

 
Lijst van alle stappen



 

Verantwoordelijkheid: Sebastian Norbert Hope, Niedersachsen, Deutschland (zie contact).