U bevindt zich hier: Lijst stappen Stap 3  

STAP 3

Hoofdaccent: werkwoord

Indien u nog geen Duits spreekt of nog niet redelijk foutloos kan schrijven, is het aangewezen te starten met de inleidende algemene informatie en de eerste stap.

In de vorige stap gingen we van volgende situatie uit: veronderstel dat een van uw buren een bakker is, die bekend staat voor zijn angst voor ziektes. Om de haverklap belt hij zijn dokter op. Op zekere dag leunt u uit het venster en ziet u hem in zijn woonkamer alweer de dokter opbellen. Meewarig schudt u het hoofd naar uw partner en zegt:

"Pfui, der Bäcker ruft schon wieder den Arzt an"
[pfui de:ɐ bɛkhɐ ru:ft ʃo:n vi:dɐ de:n a:ɐtst an]

In deze stap komt het woord aan bod, dat in een gesproken of geschreven zin het zware labeur doet. Zegt u: "mijn toetsenbord werkt niet meer," dan is het woord "werken" het actieve woord van de zin, het geeft de handeling weer, het werken. Daarom noemen we dit woord het "werkwoord".

Een werkwoord past zich aan aan het onderwerp en aan het tijdstip wanneer de handeling gebeurt: nu, of in het verleden of in de toekomst. Dit aanpassen noemen we het "vervoegen". Ter herhaling: een lidwoord of een ander woord aanpassen aan het bijhorende naamwoord noemen we verbuigen, een werkwoord aanpassen noemen we vervoegen.

In onze voorbeeldzin bovenaan is het woord : "anrufen" [anru:fn] het werkwoord.

Uitspraaktip: denk eraan de "u" in dit woord lang uit te spreken als een Nederlandse "oe" en de doffe "e" in de uitgang niet uit te spreken, en... laat die "r" toch eens rollen!

Stam van een werkwoord

Om een werkwoord aan te passen (te vervoegen) moet men de "stam" van het werkwoord kennen. Enkele voorbeelden:

Nederlands  Duits 
Werkwoord  Stam  Werkwoord  Stam 
roepen  roep-  "rufen" [ru:fn "ruf-" [ru:f
opbellen  bel-  "anrufen" [anru:fn "ruf-" [ru:f
komen  kom-  "kommen" [khomən "komm-" [khom
rondkomen  kom-  "auskommen" [auskhomən "komm-" [khom
voegen  voeg-  "fügen" [fy:gn "füg-" [fy:g
invoegen  voeg-  "einfügen" [ainfy:gn "füg-" [fy:g
kennen  ken-  "kennen" [khɛnən "kenn-" [khɛn
noemen   noem-  "nennen" [nɛnən "nenn-" [nɛn

Aandachtpunt: Als in een Nederlands werkwoord een dubbele medeklinker voorkomt net voor de uitgang "-en" zoals in "bellen, kennen", dan valt één van die dubbele medeklinkers weg in de stam "bel-, ken-". Dat is nooit het geval in het Duits! Zo is de stam van de werkwoorden "kommen" [khomən], "kennen" [khɛnən] en "nennen" [nɛnən]: "komm-", "kenn-" en "nenn-".

Uitspraaktip: Een geschreven "g" aan het begin van een Duits woord of lettergreep of in het midden ervan spreekt men uit als de "g" van de Franse woorden "gare, garçon" en wordt weergegeven door het teken "g". Een Nederlandse "g"-uitspraak bestaat niet in het Duits. Ter herinnering: een "g" op het einde van een Duits woord of lettergreep wordt uitgesproken als een Nederlandse "k".

Uitspraaktip: Een geschreven "ü" met umlaut wordt uitgesproken als een Nederlandse "u". De uitspraakweergave ervan is "y". Dit kan men lang of kort uitspreken (lang indien er slechts één medeklinker op volgt). Ter herinnering: een geschreven "u" zonder umlaut spreekt men uit als een Nederlandse "oe". De uitspraakweergave ervan is "u".

Uitspraaktip: Het Duits wordt zoveel mogelijk achteraan of in het achterste midden van de mondholte uitgesproken. Dat vraagt oefening en oefening vanwege een Nederlandstalige. Bijvoorbeeld: spreek eens het Duits woord "raus!" [raus] uit (betekent: buiten!). Neen... wat hoor ik toch? Zo niet!! Die "r" moet rollen achteraan tegen de keelholte en dan volgt automatisch wel de "au" eveneens in het achterste gedeelte van de mondholte. Klinkt heel anders, niet? Echt Duits! Nog eens oefening? Spreek eens het Duitse werkwoord "rollen" [roln] uit (betekent: rollen). Oho...! Laat die "r" toch rollen en... die "o" moet heel hol klinken en... in het Duits spreekt men de "L" heel 'vol' uit. Verplaats daarbij de tongtip naar het midden van het gehemelte en laat dan de "L" maar voluit dikbuikig zijn! Klinkt tof, niet? U wordt nog een echte Duitser...

Uitspraaktip: De doffe "e" in de "-en" -uitgang van een werkwoord wordt in het Duits niet uitgesproken, behalve als de stam van het werkwoord eindigt op een "n" (en ook op een "m") zoals in het woorden "kennen" [khɛnən] en "nennen" [nɛnən].

SPRAAKKUNST

substantief:   is de naam die gegeven wordt aan een object (bv.: mens, voorwerp) of een niet materieel iets (bv.: gevoelens). Men noemt dit ook een zelfstandig naamwoord.

onderwerp:   veelal de persoon of voorwerp die/dat iets doet in de zin, of waarvan een eigenschap vermeld wordt.

lijdend voorwerp:   de persoon of het voorwerp waarop de handeling in de zin uitgevoerd wordt.

werkwoord:    het woord dat de handeling of de toestand uitdrukt, of het zijn.

vervoegen:    is het aanpassen van het "werkwoord" aan tal van omstandigheden.

lidwoord:   een woord dat aan een persoon of een voorwerp voorafgaat en er "lid" van geworden is.

tussenwerpsel:   een woord dat meestal een gevoelen uitdrukt en uit de zin weg mag gelaten worden, zonder dat de betekenis van de zin verandert.

bijwoord:   een woord dat, onder andere, de handeling van het werkwoord of een ander bijwoord in de zin nader omschrijft. Dat woord kan steeds uit de zin weggelaten worden, zonder dat de betekenis van de zin wezenlijk verandert.

naamval:    de verandering in een woord (verbuiging) die bepaalt welke woordsoort (bv.: onderwerp, lijdend voorwerp) het woord in de zin is. Belangrijk in het Duits!

verbuigen:    is het aanpassen van het woord aan de noodzakelijke naamval. Een tussenwerpsel of een bijwoord worden nooit verbogen.

nominatief:    is de naamval die bepaalt welke persoon of welk voorwerp het "onderwerp" van de zin is.

accusatief:    is de naamval die bepaalt - onder andere - welke persoon of welk voorwerp het "lijdend voorwerp" van de zin is.

Vervoeging van een werkwoord

In onze voorbeeldzin helemaal bovenaan gebeurt het vermelde op het moment zelf. We zeggen, dat het werkwoord in de tegenwoordige tijd werkt. Nu wordt daarbij de uitgang van het werkwoord aangepast (vervoegd) afhankelijk van welke persoon (of voorwerp) zich als het onderwerp voordoet. Gaat het om mijzelf, de eerste persoon (bv.: ik zit voor mijn computer)? Gaat het om diegene die aangesproken wordt, de tweede persoon (bv.: jij zit voor jouw computer)? Of gaat het om een andere persoon, de derde persoon (bv.: zij zit voor haar computer)? In onze voorbeeldzin gaat het om een andere persoon, dus om de derde persoon: de bakker.

In het Nederlands voegt men aan de stam van het werkwoord in de eerste persoon niets toe zoals in "Ik ken hem niet". In de tweede en derde persoon voegt men een "t" toe zoals in "jij kent hem toch!" en "hij kent mij zeker".

In het Duits wordt dit:

eerste persoon: stam + "e" [ə] (een doffe "e")
tweede persoon: stam + "st"
derde persoon: stam + "t"

Dat gaan we onmiddellijk inoefenen! Vooraf kan u in uw woordenboek de Duitse woorden voor "ik", "jij", "hij", "zij" opzoeken. Dat wordt uiteraard: "ich" [ɪç], "du" [du:], "er" [e:ɐ] en "sie" [zi:].

Uitspraaktip:Ter herinnering: een beklemtoonde (en uitzonderlijk een onbeklemtoonde) "i" zoals in ich" [ɪç] wordt steeds uitgesproken in het midden van de mondholte zonder de lippen open te spreiden, zodat het een tussenvorm wordt tussen een Nederlandse "i" en een doffe "e". Uitspraakweergave: "ɪ". Herinner dat de onbeklemtoonde Duitse "i" meestal klinkt als een Nederlandse, met breed open gespreide lippen en vooraan in de mondholte uitgesproken.

Uitspraaktip:Een geschreven "ch" spreekt men uit als in de Nederlandse woorden "zucht, wicht". Uitspraakweergave: "ç", niet te verwarren met de geschreven "ç" zoals in het Franse woord "garçon". In latere stappen zullen we een tweede uitspraak tegenkomen van de "ch".

Voorbeeld van vervoeging van het werkwoord "anrufen"[anru:fn]:

eerste persoon: "ich rufe an" [ɪç ru:fə an]
tweede persoon: "du rufst an" [du: ru:fst an]
derde persoon: "er ruft an" [e:ɐ ru:ft an]

Nu kan u laten zien, dat u al zelf Duitse zinnen kan vormen. Daar gaan we! In de oefening worden werkwoorden gebruikt zoals hierboven aangegeven en naamwoorden uit de stap 2. De eerste zin is reeds ingevuld. Pas wel op om de juiste naamval te gebruiken: nominatief voor onderwerp en accusatief voor lijdend voorwerp (zie stap 2)! Probeer uzelf niets wijs te maken: zoek eerst de oplossing en klik daarna slechts op de "Check"-toets...

De bakker belt de arts op.

Ik voeg de formulering in.

Jij noemt het uur.

Het vrouwtje kent de DVD.

Ik bel de ambassade op.

Speciale werkwoorden "zijn", "hebben" en "werden"

Er zijn een aantal werkwoorden die min of meer afwijken van de bovenstaande algemene regels ter vervoeging. Dat komt in elke taal voor en dus ook hier... Laten we alvast de drie meest gebruikte werkwoorden onder die speciale gevallen even vervoegen voor de eerste, tweede en derde persoon (met de meervoudsvormen wachten we nog tot een volgende stap). Het gaat om de werkwoorden "zijn" "sein" [zain], "hebben" ""haben" [ha:bn] en "worden" "werden" [ve:ɐdn]

Persoon  sein  haben  werden 
ich
[ɪç
bin
[bɪn
habe
[ha:bə
werde
[ve:ɐdə
du
[du:
bist
[bɪst
hast
[hast
wirst
[vɪɐst
er
[e:ɐ
ist
[ɪst
hat
[hat
wird
[vɪrt

Speciale aanpassingen aan sommige werkwoorden:

Zoek voor alle gegeven werkwoordvoorbeelden hieronder de betekenis ervan op in uw woordenboek!

Als de stam van een Duits werkwoord eindigt op een "t" of een "d" zoals in "arbeiten" [arbaitn] (rollende "r" achteraan tegen de keelholte!!) en "baden" [ba:dn] dan plaatst men een "e" (dof uitgesproken) tussen de stam en de uitgang van de vervoeging, maar enkel in de tweede en derde persoon.

Persoon  arbeiten  baden 
ich
[ɪç
arbeite
[arbaitə
bade
[ba:də
du
[du:
arbeitest
[arbaitəst
badest
[ba:dəst
er
[e:ɐ
arbeitet
[arbaitət
badet
[ba:dət

Nu gaan we een iets wat complexere toer op! Maar wees gerust... als u even probeert de volgende werkwoorden uit te spreken in hun vervoeging, dan zal u beamen, dat ook hier uitzonderingen gemaakt moeten worden. Namelijk: als de stam van een Duits werkwoord eindigt op een "m" of een "n" EN er net daarvoor een medeklinker staat, dan plaatst men eveneens een "e" (dof uitgesproken) tussen de stam en de uitgang van de vervoeging, maar enkel in de tweede en derde persoon. Even twee voorbeelden zien: "atmen" [a:tmən] en "rechnen" [rɛçnən].

Uitspraaktip:Ter herinnering en ter aanvulling: de doffe "e" in de uitgang "en" wordt niet uitgesproken, behalve als de stam van het woord eindigt op een "m" of een "n".

Persoon  atmen  rechnen 
ich
[ɪç
atme
[a:tmə
rechne
[rɛçnə
du
[du:
atmest
[a:tməst
rechnest
[rɛçnəst
er
[e:ɐ
atmet
[a:tmət
rechnet
[rɛçnət

Maar: als in het bovenstaande geval aan de "m" of de "n" een "L" of een "r" voorafgaat, dan voegt men geen extra doffe "e" in, en wordt de vervoeging normaal. Ook dat heeft te maken met een vlotte uitspraak. Even twee voorbeelden zien: "lernen" [lɛrnən] en "qualmen" [kvalmən].

Uitspraaktip:Bemerk de speciale uitspraak van de geschreven "qu" in "qualmen". En let op die 'volle' "L"-uitspraak.

Persoon  lernen  qualmen 
ich
[ɪç
lerne
[lɛrnə
qualme
[kvalmə
du
[du:
lernst
[lɛrnst
qualmst
[kvalmst
er
[e:ɐ
lernt
[lɛrnt
qualmt
[kvalmt

Er zijn nog een aantal speciale gevallen, maar die komen in latere stappen aan bod. Het is welletjes voor vandaag, niet? Laten we het geheel afsluiten met een fikse inoefening... Zoek alle noodzakelijke woorden op in het woordenboek. En lees uw gemaakte zin, zodat de uitspraak ook geoefend wordt. De zinnen zijn heel eenvoudig. Eigenlijk ontbreken er tussenwoordjes, die het geheel veel aangenamer maken. Dat leren we in de volgende stap.

Hij paft.

Verdeel jij de taart?

De herrieschopper bestromt de US-ambassade.

De moordenaar zit de straf uit.

Ik haat de computer.

Hoor jij de CD?

Angela Merkel berispt de belastingfraudeur.

De hond zwerft rond.

De sollicitant tekent het contract.

De auto vermorzelt de voetganger.

Zij wordt grootmoeder.

Heb jij de software?

Tot slot: De uitspraak is even belangrijk als het samenstellen van een juiste zin. Zonder goede uitspraak loopt u het risico niet voluit verstaan te worden. Daarom: articuleren. Een goede raad: lees nog eens rustig alle gegevens in de tabel rechts bovenaan (uitspraak). U zal ze stilaan gewoon worden en snel de juiste uitspraak leren.

Naar stap 4.




 
Lijst van alle stappen



 

Verantwoordelijkheid: Sebastian Norbert Hope, Niedersachsen, Deutschland (zie contact).