U bevindt zich hier: Lijst stappen Stap 29  

STAP 29

Hoofdaccent: Voorzetsels met enkel datief

met accusatief en datief

 

Indien u nog geen Duits spreekt of nog niet redelijk foutloos kan schrijven, is het aangewezen te starten met de inleidende algemene informatie en de eerste stap.

"Zu Deutsch heißt es..."
[tsu: doitʃ haist ɛs]

Een heel aantal voorzetsels kan enkel gevolgd worden door een datief. Dit zijn de voorzetsels bei, binnen, entgegen, entsprechend, fern, gegenüber, gemäß, mit, nach, nächst, nahe, samt, seit, zu, zuwider. In het algemeen zijn zij de gemakkelijkste voorzetsels om te gebruiken met haast geen bijzonderheden. Het is dan ook hoofdzakelijk een kwestie om te onthouden, dat zij enkel door een datief kunnen gevolgd worden. Maar toch zijn er addertjes onder het gras, vooral voor Nederlandstaligen in het gebruik van het juiste voorzetsel...

SPRAAKKUNST

substantief:   is de naam die gegeven wordt aan een object (bv.: mens, voorwerp) of een niet materieel iets (bv.: gevoelens). Men noemt dit ook een zelfstandig naamwoord.

onderwerp:   veelal de persoon of voorwerp die/dat iets doet in de zin, of waarvan een eigenschap vermeld wordt. Staat in de naamval nominatief.

lijdend voorwerp:   de persoon of het voorwerp waarop de handeling in de zin uitgevoerd wordt. Staat in de naamval accusatief.

meewerkend voorwerp:   de persoon of het voorwerp die met het werkwoord meewerkt. Staat veelal in de datief of anders gekoppeld aan een voorzetsel.

voorzetsel:   een woord dat een bepaalde betrekking weergeeft tussen twee substantieven, of tussen een werkwoord en een substantief.

lidwoord:   een woord dat aan een persoon of een voorwerp voorafgaat en er "lid" van geworden is.

adjectief:   is een woord dat een substantief karakteriseert, er een eigenschap van weergeeft. Het staat bij een substantief. Men noemt het ook een bijvoeglijk naamwoord.

predicatief:   is een adjectief dat een gelijkstelling weergeeft en gekoppeld is aan de werkwoorden "sein, werden, bleiben". Het wordt nooit verbogen.

naamval:    de verandering in een woord (verbuiging) die bepaalt welke woordsoort (bv.: onderwerp, lijdend voorwerp) het woord in de zin is. Belangrijk in het Duits!

verbuigen:    is het aanpassen van het woord aan de noodzakelijke naamval. Een tussenwerpsel of een bijwoord worden nooit verbogen.

nominatief:    is de naamval die bepaalt welke persoon of welk voorwerp het "onderwerp" van de zin is.

genitief:    is de naamval die het bezit van of de afhankelijkheid tegenover een betrokken substantief uitdrukt. Deze naamval wordt ook gebruikt na heel wat voorzetsels.

datief:    is de naamval die bepaalt welke persoon of welk voorwerp het "meewerkend voorwerp" van de zin is, of die verbonden is aan een bepaald voorzetsel.

accusatief:    is de naamval die bepaalt - onder andere - welke persoon of welk voorwerp het "lijdend voorwerp" van de zin is.

voornaamwoord:    woord dat een persoon aanduidt zonder hem of haar expliciet te noemen. "Hem" en "haar", "ik", "jij", "hij", "zij" en zo meer zijn bijvoorbeeld voornaamwoorden.

bijwoord:    is een woord dat een adjectief of een werkwoord nader kan bepalen. Het wordt nooit verbogen en kan uit de zin weggelaten worden, zonder dat de zinsconstructie in gevaar komt.

werkwoord:    is een woord dat de actie of de werking van de zin uitvoert.

vervoegen:    is het aanpassen van een werkwoord aan de persoon, aan de hoeveelheid personen, aan de tijd en aan meer.

deelwoord (Partizip):    is het woord dat deelt in de eigenschappen van meerdere woordsoorten, zoals werkwoorden, adjectieven en substantieven.

 

Bij de voorzetsels die enkel gevolgd worden door een datief, bevinden zich enkele die we gebruiken voor de vertaling van het Nederlandse voorzetsel "naar". Het gaat om nach, zu. Lees nog eens aandachtig het deel over alle Duitse voorzetsls die gebruikt worden om het Nederlandse "naar" weer te geven. Dit overzicht vindt u in stap 24.

Voorzetsel nach

Dit voorzetsel kan u inderdaad gebruiken voor de vertaling van het Nederlandse "naar", echter enkel in de beperkte omstandigheden die vermeld zijn in stap 24. Verder gebruikt men dit voorzetsel om een rijenopeenvolging weer te geven. Voorbeelden:

Einer nach dem anderen hatte es schwer zu überleben. [ainɐ na:x de:m andərn hathə ɛs ʃvɛɐ tsu: ybɐle:bn]

Nach 200 Metern biegen Sie am besten ab. [na:x tsvaihundərt me:tərn bi:gn zi: am bɛstn ap]

Er ist nach Ihnen an der Reihe. [e:ɐ ɪst na:x i:nən an de:ɐ rajə]

Uitspraak: Hier zien we een uitzonderlijke situatie waarbij twee opeenvolgende klinkers (die geen tweeklank vormen) in de uitspraak toch met elkaar verbonden worden door een tussen-j, zoals men het gewoon is in haast alle dergelijke gevallen in het Nederlands. Het woord die Reihe wordt inderdaad uitgesproken als rajə, tegengesteld aan het Duitse principe om twee opeenvolgende klinkers uit te spreken zonder hen te verbinden. Reden voor de uitzondering is het dof klinken van de tweede klinker.

Het voorzetsel nach wordt zoals in het Nederlands ook gebruikt om een tijdstip aan te geven in aansluiting van een eerder tijdstip. Voorbeelden:

Nach dem Essen fahren wir ab. [na:x de:m ɛsn fa:rən vi:ɐ ap]

Er starb nach langem Leiden. [e:ɐ ʃtharp na:x laŋm laidn]

Het voorzetsel nach gebruikt men ten slotte ook om een overeenkomstigheid met iets weer te geven zoals in volgende voorbeelden;

Nach Bushes Theorie lebt die Welt in Krieg. [na:x buʃəs the:ori: le:pt di: vɛlt in kri:k]

Seiner Sprache nach ist er Belgier. [zainɐ ʃpra:xə na:x ɪst e:ɐ bɛlg:iɐ]

 

Voorzetsel zu

Dit voorzetsel kan u gebruiken voor de vertaling van het Nederlandse "naar", echter enkel in de beperkte omstandigheden die vermeld zijn in stap 24. Men gebruikt het ook vaak om een beweging weer te geven in de richting van iets, daar waar een Nederlandstalige de voorzetsels "in, op, tot" zou gebruiken. Voorbeelden:

Die Skiläufer wurden zum Tal befördert. [di: ʃi:loifɐ vurdn tsum tha:l be:fœrdərt]

Sie stürzte zu Boden. [zi: ʃthyrtstə tsu: bo:dn]

Das Blut stieg ihm zu Kopf. [das blu:t ʃthi:k i:m tsu: kopf]

Uitspraak: Bemerk de speciale uitspraak voor het woord Ski. De "k" wordt daarbij niet uitgesproken.

Vaak wordt dit voorzetsel ook gebruikt om een plaats aan te duiden, daar waar een Nederlandstalige de voorzetsels "op, aan,in" zou gebruiken. Voorbeelden:

Zu beiden Seiten des Bahnhofs standen autos. [tsu: baidn saithn dɛs ba:nho:fs ʃthandn autho:s]

Das Gasthaus zu den drei Eichen. [das gasthaus tsu: de:n drai aiçn]

zu Füßen stehen. [tsu: fy:sn ʃthe:n]

Met dit voorzetsel kan men ook een tijdstip weergeven daar, waar een Nederlandstalige de voorzetsels "op, ten" zou gebruiken. Voorbeelden:

Wir kommen zu Weihnachten. [vi:ɐ khomən tsu: vainaxthn]

Zu Zeiten Caesars waren die Belgier noch tapfer. [tsu: tsaithn tsɛ:zars va:rən di: bɛlgiɐ noç tapfr]

Met dit voorzetsel kan men ook een uitbreiding op iets weergeven daar, waar een Nederlandstalige het voorzetsel "bij " zou gebruiken. Voorbeelden:

Zu Fleisch trinkt men einen Rotwein. [tsu: flaiʃ trinkt man ainən ro:tvain]

Ihr Schal passte nicht zu ihrer Kleidung. [i:ɐ ʃa:l phastə nɪçt tsu: i:rɐ klaiduŋ]

Ook de wijze waarop iets gebeurt drukt men uit met dit voorzetsel. Voorbeelden:

Zu Deutsch heißt es... [tsu: doitʃ haist ɛs]

Sie kam zu Pferd. [zi: kha:m tsu: pfɛrt]

Heute verkauft man dort zu kleinen Preisen. [hoitə fɛɐkhauft man dort tsu: klainən praizn]

Ook het doel van iets wordt met dit voorzetsel weergegeven. Daarbij staat dit voorzetsel in concurrentie met het voorzetsel für. Hoewel bij dit laatste voorzetsel een doel haast altijd wordt weergegeven vanuit een aantal vaste werkwoorden zoals streiten für, kämpfen für, trainieren für, streiken für. Voorbeelden om een doel weer te geven met zu:

Es gab eine Feier zu Ehren des... [ɛs ga:p ainə faiɐ tsu: e:rən dɛs]

Wir wurden zu seiner Party eingeladen. [vi:ɐ vurdn tsu: sainɐ pha:ɐti aingəla:dn]

Es geschieht zu seinem Besten. [ɛs gəʃi:t tsu: sainəm bɛsthn]

Met dit voorzetsel drukt men ook een aantal uit in verhouding tot, of een aantal zonder meer. Voorbeelden:

Das Spiel steht 2 zu 1. [das ʃphi:l ʃthe:t zwai tsu: ains]

Sie kamen zu zweit. [zi: kha:mən tsu: tsait]

Ein Fass Wein zu 5 Litern. [ain fas vain tsu: fynf li:tərn]

Ook het veranderen van iets tot... wordt weergegeven met dit voorzetsel. Voorbeelden:

Alles zerfiel zu Staub. [aləs tsɛɐfi:l tsu: ʃthaup]

Dort werden äpfel zu Brei verarbeitet. [dort vɛɐdn ɛpfl tsu: brai fɛɐarbaitət]

Tenslotte is het nuttig te weten dat dit woord zu zeer veel gebruikt wordt als een bijwoord (bv: Er ist zu groß) of als voegwoord (bv: Er stand nur dort, statt zu helfen). Tevens gebruikt men dit woord algemeen om het dichtdoen van iets uit te drukken in bv. Mach die Tür zu!

 

De overige voorzetsels die enkel en alleen gevolgd worden door een datief worden in dezelfde omstandigheden gebruikt als in het Nederlands. Wel dient u op te letten bij het gebruik van het voorzetsel fern. In het Nederlands neigt men vaak tot het gebruiken van het voorzetsel "ver" met het voorzetsel "van" zoals in "Ver van de stad...". Dit is niet toegelaten in het Duits. Het wordt dan ook Fern der Stadt.... Hetzelfde geldt voor het voorzetsel gegenüber, hoewel in dat geval von uitzonderlijk toegelaten is indien een plaatsbepaling bedoelt wordt. Zo bijvoorbeeld wordt het Nederlandse "Ten opzichte van mij is hij vriendelijk" Mir gegenüber ist er freundlich en het Nederlandse "Aken ligt net over de grens" wordt Aachen liegt gerade gegenüber von der Grenze. Bemerk dat men het voorzetsel gegenüber zowel voor als achter het betrokken substantief mag plaatsen, bij een voornaamwoord moet het echter steeds erachter. Het voorzetsel zuwider wordt haast altijd in de vaste uitdsrukking jemandem zuwider sein gebruikt, zelden in andere omstandigheden. En het voorzetsel nahe wordt uitsluitend in verheven taal gebruikt, niet in de gewone taal.

 

De volgende stap, stap 30, wordt de laatste stap voor het gebruik van voorzetsels. Dan behandelen wij de voorzetsels die gevolgd worden door een genitief.

 

 
Lijst van alle stappen



 

Verantwoordelijkheid: Sebastian Norbert Hope, Niedersachsen, Deutschland (zie contact).