U bevindt zich hier: Lijst stappen Stap 27  

STAP 27

Hoofdaccent: Speciale voorzetsels

met accusatief en datief

 

Indien u nog geen Duits spreekt of nog niet redelijk foutloos kan schrijven, is het aangewezen te starten met de inleidende algemene informatie en de eerste stap.

"Ich kenne niemanden außer ihn, und sie kennt auch niemanden außer ihm."
[ɪ khɛnə ni:mandn ausɐ i:n und zi: khɛnt ni:mandn ausɐ i:m]

Uit de vorige stappen kennen we reeds heel wat voorzetsels die gevolgd worden door een accusatief en in een aantal gevallen ook door een datief. Dat was het geval, wanneer dat voorzetsel een richtingsaanduiding waarheen kan weergeven, alsook een plaatsaanduiding. Nu zijn er echter nog vier voorzetsels die door zowel accusatief als datief gevolgd kunnen worden, zonder dat zij per se een richtingsaanduiding en een plaatsaanduiding moeten kunnen weergeven. Deze speciale voorzetsels zijn "ab, außer, bis, entlang".

SPRAAKKUNST

substantief:   is de naam die gegeven wordt aan een object (bv.: mens, voorwerp) of een niet materieel iets (bv.: gevoelens). Men noemt dit ook een zelfstandig naamwoord.

onderwerp:   veelal de persoon of voorwerp die/dat iets doet in de zin, of waarvan een eigenschap vermeld wordt. Staat in de naamval nominatief.

lijdend voorwerp:   de persoon of het voorwerp waarop de handeling in de zin uitgevoerd wordt. Staat in de naamval accusatief.

meewerkend voorwerp:   de persoon of het voorwerp die met het werkwoord meewerkt. Staat veelal in de datief of anders gekoppeld aan een voorzetsel.

voorzetsel:   een woord dat een bepaalde betrekking weergeeft tussen twee substantieven, of tussen een werkwoord en een substantief.

lidwoord:   een woord dat aan een persoon of een voorwerp voorafgaat en er "lid" van geworden is.

adjectief:   is een woord dat een substantief karakteriseert, er een eigenschap van weergeeft. Het staat bij een substantief. Men noemt het ook een bijvoeglijk naamwoord.

predicatief:   is een adjectief dat een gelijkstelling weergeeft en gekoppeld is aan de werkwoorden "sein, werden, bleiben". Het wordt nooit verbogen.

naamval:    de verandering in een woord (verbuiging) die bepaalt welke woordsoort (bv.: onderwerp, lijdend voorwerp) het woord in de zin is. Belangrijk in het Duits!

verbuigen:    is het aanpassen van het woord aan de noodzakelijke naamval. Een tussenwerpsel of een bijwoord worden nooit verbogen.

nominatief:    is de naamval die bepaalt welke persoon of welk voorwerp het "onderwerp" van de zin is.

genitief:    is de naamval die het bezit van of de afhankelijkheid tegenover een betrokken substantief uitdrukt. Deze naamval wordt ook gebruikt na heel wat voorzetsels.

datief:    is de naamval die bepaalt welke persoon of welk voorwerp het "meewerkend voorwerp" van de zin is, of die verbonden is aan een bepaald voorzetsel.

accusatief:    is de naamval die bepaalt - onder andere - welke persoon of welk voorwerp het "lijdend voorwerp" van de zin is.

voornaamwoord:    woord dat een persoon aanduidt zonder hem of haar expliciet te noemen. "Hem" en "haar", "ik", "jij", "hij", "zij" en zo meer zijn bijvoorbeeld voornaamwoorden.

bijwoord:    is een woord dat een adjectief of een werkwoord nader kan bepalen. Het wordt nooit verbogen en kan uit de zin weggelaten worden, zonder dat de zinsconstructie in gevaar komt.

werkwoord:    is een woord dat de actie of de werking van de zin uitvoert.

vervoegen:    is het aanpassen van een werkwoord aan de persoon, aan de hoeveelheid personen, aan de tijd en aan meer.

deelwoord (Partizip):    is het woord dat deelt in de eigenschappen van meerdere woordsoorten, zoals werkwoorden, adjectieven en substantieven.

 

entlang

Het voorzetsel entlang wordt nu eens voor het betrokken substantief geplaatst, en dan weer er achter. U kan vrijuit kiezen waar u dit voorzetsel plaatst, zonder dat de betekenis (= langsheen) ervan verandert. Daarbij moet u echter het volgende weten: men gebruikt de datief als het voorzetsel voor het betrokken substantief staat, en de accusatief als het achter het betrokken substantief staat. Voorbeelden met accusatief:

Den Fluss entlang standen Bäume. [de:n flus ɛntlaŋ ʃthandn boimə]

Den Fluss entlang liefen viele Leute. [de:n flus ɛntlaŋ li:fn fi:lə loitə]

 

U kon in beide voorbeelden hierboven het voorzetsel ook voor het betrokken substantief plaatsen, maar dan verandert de naamval in een datief. Waarom? Wel, laten we het beschouwen als een ingeburgerde gewoonte. Er is geen bepaalde reden daarvoor te geven, jammer genoeg. Ter informatie: u bent totaal vrij om dit voorzetsel voor of achter het betrokken substantief te plaatsen. Eigenlijk... wil u het accent van de hele zin op dit voorzetsel leggen, dan zet men het voor het betrokken substantief, zo in de betekenis van "langsheen... en niet ergens anders". Voorbeelden met het voorzetsel voraan:

Entlang dem Fluss standen Bäume. [ɛntlaŋ de:m flus ʃthandn boimə]

Es liefen viele Leute entlang dem Fluss. [ɛs li:fn fi:lə loitə ɛntlaŋ de:m flus]

 

Vroeger gebruikte men een genitief in plaats van een datief. Tegenwoordig beschouwt men de genitief vaak als verouderd, als te verheven taalgebruik. Hier in Duitsland spreekt men soms over de 'moord op de genitief'! Verschiet echter niet, dat hier en daar oudere mensen nog steeds de genitief gebruiken indien dit voorzetsel voor het betrokken substantief staat. En... in zuidelijke Duitstalige regio's neigt men om altijd de datief te gebruiken, ongeacht of het voorzetsel voor of achter het betrokken substantief staat. Vooral in Zwitserland is dit het geval. Ach ja...

Dit woord entlang wordt echter ook veel als bijwoord gebruikt, en dan bepaalt het nooit een naamval. Bijwoorden bepalen immers geen naamvallen. Voorbeeld: Wir verfolgten den Weg am Fluss entlang. Ziet u al, waarom entlang hier geen voorzetsel is, maar slechts een bijwoord? Inderdaad, in die zin werd het voorzetsel an gebruikt. Bovendien kan u steeds de volgende regel hanteren, om na te gaan of een woord gebruikt wordt als voorzetsel of als bijwoord: kan u het woord weglaten, zonder dat de zinsconstructie eronder lijdt, dan is dat woord een bijwoord en bepaalt generlei een naamval. Kijk maar: Den Fluss entlang standen Bäume. Laat nu dit woord entlang weg, dan wordt het Den Fluss standen Bäume. Oei.. dat is een manke zin, niet? Dat wijst erop, dat in deze zin het woord entlang wel degelijk een voorzetsel is. Neem nu dat andere voorbeeld Wir verfolgten den Weg am Fluss entlang. Ook hier laten we even het woord entlang weg: Wir verfolgten den Weg am Fluss. Ziet u het? Die zinsconstructie blijft intact. Dat wijst erop, dat daar het woord entlang helemaal geen voorzetsel is, maar slechts een bijwoord.

 

ab

Het voorzetsel ab kan u steeds laten volgen door een datief. Dat 'kan' u, maar u 'mag' de accusatief gebruiken indien het daaropvolgende betrokken substantief een tijdsaanduiding of een maataanduiding is EN daarbij geen lidwoord of voornaamwoord gebruikt wordt. Wil u deze regel niet per se onthouden, gebruik dan altijd de datief! Voorbeelden:

Der Bus fährt wieder ab nächstem Bahnhof. [de:ɐ bus fɛ:rt vi:dɐ ap nɛ:çstm ba:nho:f] (Hier moet de datief gebruikt worden, want het gaat om een plaatsaanduding, niet om een tijds- of een maataanduiding.)

Ab letztem Montag... [ap lɛtstm mo:ntha:k] (Hier mag de datief gebruikt worden)

Ab letzten Montag... [ap lɛtstn mo:ntha:k] (Hier mag evenzeer de accusatief gebruikt worden, gezien het een tijdsaanduiding is zonder lidwoord bij het daaropvolgende substantief)

Ab 50 Exemplaren wird Rabatt gewährt. [ap fynfthɪç ɛksɛmpla:rən vɪrt raba:t gəvɛ:rt] (Hier mag de datief gebruikt worden)

Ab 50 Exemplare wird Rabatt gewährt. [ap fynfthɪç ɛksɛmpla:rə vɪrt rabat gəvɛ:rt] (Hier mag evenzeer de accusatief gebruikt worden, gezien het een maataanduiding is zonder lidwoord bij het daaropvolgende substantief)

Ab Montag, dem 3. November.... [ap mo:ntha:k de:m drɪthn novɛmbɐ] (Hier mag de datief gebruikt worden)

Ab Montag, den 3. November... [ap mo:ntha:k de:n drɪthn novɛmbɐ] (Hier mag evenzeer de accusatief gebruikt worden, gezien het een tijdaanduiding is zonder lidwoord bij het daaropvolgende substantief Montag)

Ab dem Montag, dem 3. November... [ap de:m mo:ntha:k de:m drɪthn novɛmbɐ] (Hier moet de datief gebruikt worden, gezien het daaropvolgende substantief Montag een lidwoord heeft)

Ab seinem Geburtstag... [ap zainəm gəburtstha:k] (Hier moet de datief gebruikt worden, gezien het daaropvolgende substantief Tag een voornaamwoord heeft)

Nogmaals: gebruik bij dit voorzetsel altijd en altijd de datief. Dan begaat u nooit een fout.

Aandachtspunt: Bemerkt u, hoe in bovenstaande voorbeelden de uitgang van het woord Exemplaren een datief meervoud weergeeft, daar waar Exemplare zonder "n" een accusatief meervoud weergeeft? Het woord das Exemplar heeft immers de meervoudsvorm die Exemplare, waar enkel in de datief meervoud een "n" aan toegevoegd wordt.

Articulatie: Wie als anderstalige twijfelt aan een naamvalsuitgang, neigt ernaar om de uitgang binnensmonds uit te spreken, om die naamval als het ware in te slikken uit vrees om een fout te begaan. Doe dat nooit, a.u.b.! Door het Duits niet klaar en duidelijk te articuleren, vervalt men in onverstaanbare taal. Ja, het Duits is dood zonder articulatie!

Uitspraak: Bemerk, dat men de "v" van November niet als een gewone Duitse f uitspreekt, omdat dit woord uit een vreemde taal komt. De "o" ervan wordt kort uitgesproken. Bij deze gelegenheid is het goed even stil te staan bij de uitspraak van September, Oktober, Dezember. De "S" van September wordt als een z uitgesproken. Bij Oktober moet u er goed op letten om een duidelijke h uit te spreken (aspireren, noemt men dat) na de t en bovendien de "o" extra lang uit te spreken, en bij Dezember wordt de Franse "c" van "décembre" vervangen door een "z", uit te spreken als ts. En in elk van deze maandnamen, wordt de "r" op zijn Duits uitgesproken, namelijk als een verholen doffe "e" op het einde van een woord. De drie maanden worden dan ook als volgt uitgesproken: zeptɛmbɐ oktho:bɐ de:tsɛmbɐ. Bemerkt u, dat in het Duits alle maandnamen met een hoofdletter worden geschreven?

 

außer

Het voorzetsel außer kan men beschouwen als een gewoon voorzetsel, dat zowel door de accusatief kan gevolgd worden als door de datief, gelijkaardig aan de voorzetsels an, in, auf, unter, hinter... Maar dit is niet helemaal zo. Het voorzetsel volgt een totaal eigen regel: geeft het werkwoord van de zin samen met het voorzetsel een beweging weer in om het even welke richting (ONGEACHT of het om een beweging in de richting van of vanuit een richting betreft), dan gebruikt men de accusatief na außer. Geeft het werkwoord samen met dit voorzetsel geen beweging weer, of geeft het werkwoord wel een beweging weer maar zonder dat het voorzetsel een richting waarheen of vanwaar weergeeft, dan gebruikt men de datief. Dit voorzetsel wordt heel vaak gebruikt zonder een lidwoord bij het betrokken substantief. Dan is het steeds goed uitkijken, of u de accusatief of datief meervoud moet gebruiken! Voorbeelden met accusatief:

Sie stellte das Problem außer jeden Zweifel. [zi: ʃthɛltə das proble:m ausɐ je:dn tsvaifl] (Hier moet de accusatief gebruikt worden, gezien het voorzetsel de richting van de beweging bepaalt.)

Der Feind setzte uns außer (den) Gefecht. [de:r faint zetsthə uns ausɐ gəfɛxt] (Hier moet de accusatief gebruikt worden, gezien het voorzetsel de richting van de beweging bepaalt.)

Das Schiff wurde außer Dienst gestellt. [das ʃɪf vurdə ausɐ di:nst gə:ʃthɛlt] (Ook hier moet de accusatief gebruikt worden, gezien het voorzetsel de richting van de beweging bepaalt.)

Voorbeelden met datief:

Sie startet außer (der) Konkurrenz. [zi: ʃtharthət ausɐ khonkhurɛnts] (Hier moet de datief gebruikt worden, gezien het voorzetsel in generlei wijze de richting van de beweging bepaalt.)

Der Artz nimmt keinen außer dieser alten Dame noch an. [de:r a:rtst nɪmt kainən ausɐ di:zɐ altn da:mə nox an] (Hier moet de datief gebruikt worden, gezien het voorzetsel in generlei wijze de richting van de beweging bepaalt.)

Sie ist außer (dem) Haus. [zi: ɪst ausɐ haus] (Ook hier moet de datief gebruikt worden, gezien het voorzetsel een plaatsaanduiding weergeeft.)

Niemand weiß es außer mir. [ni:mant vais ɛs ausɐ mi:ɐ] (Ook hier moet de datief gebruikt worden, gezien het voorzetsel een plaatsaanduiding weergeeft.)

Außer allen zusätzlichen Exemplaren ist das Buch publiziert. [ausɐ aln tsu:zɛtslɪçn ɛksɛmpla:rən ɪst das bu:x publitsi:rt] (Bemerkt u het gebruik van de datief aan de meervoudsvorm?)

 

Een grote moeilijkheid is het feit, dat dit woord außer ook als voegwoord kan gebruikt worden; een voegwoord tussen twee zinnen aldus. Maar... daarbij wordt vaak de tweede zin verzwegen, waardoor het woord (valselijk) lijkt op een voorzetsel. Als voegwoord bepaalt het in generlei wijze een naamval, als voorzetsel echter wel... Voorbeelden, waarbij bijzondere aandacht vereist is:

Wir gehen täglich spazieren, außer wenn es neblig ist. [vɪɐ ge:ən thɛ:klɪç ʃphatsi:rən ausɐ vɛn ɛs ne:blɪç ɪst] (Hier is außer duidelijk een voegwoord.)

Niemand weiß es außer ich. [ni:mant vais ɛs ausɐ ɪç;] (Ziet u het verschil en begrijpt u het verschil ook tussen Niemand weiß es außer mir en Niemand weiß es außer ich? In het tweede geval is außer een voegwoord, dat een verborgen zin inleidt! Hoezo? Wel... In het eerste geval drukt men slechts één zin uit: "Niemand weet het buiten mij". In het tweede geval drukt men datzelfde uit met twee zinnen, waarbij die tweede zin verzwegen wordt. Niemand weiß es außer ich betekent dan ook "Niemand weet het, behalve ik, ik weet het wel". Om dit alles nog duidelijker te maken, kan u in het eerste geval het außer mir vooraan in de zin stellen; het is trouwens een gewoonte in het Duits om een datief vooraan te zetten: Außer mir weiß niemand es. In het tweede geval kan u dat niet doen. "Außer ich weiß niemand es" is fout! Gezien u in dit geval met außer een voegwoord bedoelt, dat een tweede zin inluidt, moet het achteraan de eerste zin staan en wordt het aldus Niemand weiß es außer ich.)

Ich kenne niemanden außer ihn. [ɪ khɛnə ni:mandn ausɐ i:n] (Ziet u ook hier het verschil en begrijpt u het verschil ook tussen Ich kenne niemanden außer ihm en Ich kenne niemanden außer ihn? In het tweede geval is außer alweer een voegwoord, dat een verborgen zin inleidt. In het eerste geval drukt men slechts één zin uit: "Ik ken niemand buiten hem". In het tweede geval drukt men datzelfde uit met twee zinnen, waarbij die tweede zin verzwegen wordt: Ich kenne niemanden außer ihn betekent dan ook "Ik ken niemand buiten het feit, dat ik hem wel ken". Ook in het eerste geval was het beter om de datief vooraan in de zin te plaatsen: Außer ihm kenne ich niemanden.)

Aandachtspunt: Bekijk nog eens rustig deze zwee zinnen: Niemand weiß es außer ich en Ich kenne niemanden außer ihn. Ziet u, hoe in de eerste zin außer ich een nominatief bevat, terwijl in de tweede zin außer ihn een accusatief bevat? Vreemd blijkbaar... Maar toch niet vreemd! In de eerste zin is ich parallel aan het onderwerp van die zin niemand, en in de tweede zin is ihn parallel aan het lijdend voorwerp van die zin niemanden. Bovendien... met het woord außer wordt in beide zinnen een voegwoord bedoeld dat een tweede zin inleidt waarbij in het eerste geval ich het onderwerp wordt van die bijzin, terwijl in het tweede geval ihn het lijdende voorwerp van de bijzin zal worden.

 

Ook bij dit voorzetsel außer gebruikte men vroeger de genitief. Dat is echter volledig uit de taal verdwenen. U zal dan ook een oudere geen genitief meer horen gebruiken bij dit voorzetsel.

Er is nog een voorzetsel dat in speciale gevallen een accusatief of een datief gebruikt, namelijk bis. Dit woord stelt echter een heel aantal problemen. Daarom behandelen wij dit in een afzonderlijke stap, stap 28.

 

 
Lijst van alle stappen



 

Verantwoordelijkheid: Sebastian Norbert Hope, Niedersachsen, Deutschland (zie contact).