U bevindt zich hier: Lijst stappen Stap 24  

STAP 24

Hoofdaccent: Voorzetsel "in"

Indien u nog geen Duits spreekt of nog niet redelijk foutloos kan schrijven, is het aangewezen te starten met de inleidende algemene informatie en de eerste stap.

"Fahren wir nach Belgien oder in die Niederlande?"
[fa:rən vi:ɐ na:x bɛlgiən o:dɐ ɪn di: ni:dɐlandə]

Het voorzetsel in is een van de negen voorzetsels die gevolgd kunnen worden door een accusatief of een datief. En zoals wij uit de vorige stappen weten, volgt de accusatief als het voorzetsel de richtingaanduiding van een beweging weergeef, maar volgt de datief als het voorzetsel een plaatsaanduiding weergeeft in de plaats van een richtingaanduiding. Is dit onderscheid nog steeds niet klaar en duidelijk, herlees dan de vorige stappen vanaf stap 21.

Vooral bij het voorzetsel in wordt het goed uitkijken, of een uitspraak (of een zin) een beweging weergeeft in de richting van iets, zowel letterlijk als figuurlijk. Dat zullen we dadelijk doornemen met talrijke voorbeelden. Vooraf echter doorlopen we de vertaling van het Nederlandse voorzetsel "naar" in alle mogelijke situaties...

SPRAAKKUNST

substantief:   is de naam die gegeven wordt aan een object (bv.: mens, voorwerp) of een niet materieel iets (bv.: gevoelens). Men noemt dit ook een zelfstandig naamwoord.

onderwerp:   veelal de persoon of voorwerp die/dat iets doet in de zin, of waarvan een eigenschap vermeld wordt. Staat in de naamval nominatief.

lijdend voorwerp:   de persoon of het voorwerp waarop de handeling in de zin uitgevoerd wordt. Staat in de naamval accusatief.

meewerkend voorwerp:   de persoon of het voorwerp die met het werkwoord meewerkt. Staat veelal in de datief of anders gekoppeld aan een voorzetsel.

voorzetsel:   een woord dat een bepaalde betrekking weergeeft tussen twee substantieven, of tussen een werkwoord en een substantief.

lidwoord:   een woord dat aan een persoon of een voorwerp voorafgaat en er "lid" van geworden is.

adjectief:   is een woord dat een substantief karakteriseert, er een eigenschap van weergeeft. Het staat bij een substantief. Men noemt het ook een bijvoeglijk naamwoord.

predicatief:   is een adjectief dat een gelijkstelling weergeeft en gekoppeld is aan de werkwoorden "sein, werden, bleiben". Het wordt nooit verbogen.

naamval:    de verandering in een woord (verbuiging) die bepaalt welke woordsoort (bv.: onderwerp, lijdend voorwerp) het woord in de zin is. Belangrijk in het Duits!

verbuigen:    is het aanpassen van het woord aan de noodzakelijke naamval. Een tussenwerpsel of een bijwoord worden nooit verbogen.

nominatief:    is de naamval die bepaalt welke persoon of welk voorwerp het "onderwerp" van de zin is.

genitief:    is de naamval die het bezit van of de afhankelijkheid tegenover een betrokken substantief uitdrukt. Deze naamval wordt ook gebruikt na heel wat voorzetsels.

datief:    is de naamval die bepaalt welke persoon of welk voorwerp het "meewerkend voorwerp" van de zin is, of die verbonden is aan een bepaald voorzetsel.

accusatief:    is de naamval die bepaalt - onder andere - welke persoon of welk voorwerp het "lijdend voorwerp" van de zin is.

voornaamwoord:    woord dat een persoon aanduidt zonder hem of haar expliciet te noemen. "Hem" en "haar", "ik", "jij", "hij", "zij" en zo meer zijn bijvoorbeeld voornaamwoorden.

bijwoord:    is een woord dat een adjectief of een werkwoord nader kan bepalen. Het wordt nooit verbogen en kan uit de zin weggelaten worden, zonder dat de zinsconstructie in gevaar komt.

werkwoord:    is een woord dat de actie of de werking van de zin uitvoert.

vervoegen:    is het aanpassen van een werkwoord aan de persoon, aan de hoeveelheid personen, aan de tijd en aan meer.

deelwoord (Partizip):    is het woord dat deelt in de eigenschappen van meerdere woordsoorten, zoals werkwoorden, adjectieven en substantieven.

 

Vertaling van het Nederlandse 'naar' in alle omstandigheden

Uit vorige stappen blijkt:

1. Een bewegingsrichting naar iets in de zin van "tot aan iets", wordt weergegeven door het voorzetsel an met accusatief (zie stap 21). Enkele voorbeelden:

Zij rijdt naar de Noordzee: Sie fährt an die Nordsee. [zi: fɛ:rt an di: nortze:]

Hij echter rijdt naar het Bodenmeer: Er aber fährt an den Bodensee. [e:ɐ abɐ fɛ:rt an de:n bo:dnze:]

Loop snel naar de muur! Lauf schnell an die Mauer! [lauf ʃnɛl an di: mauɐ]

 

2. Een bewegingsrichting naar een openbare instelling wordt weergegeven door het voorzetsel auf met accusatief (zie stap 22). Enkele voorbeelden:

Ik moet noch naar de bank: Ich soll noch auf die Bank gehen. [ɪç zol nox auf di: baŋk ge:ən]

Zij gaat reeds lang naar de universiteit: Sie geht schon lange auf die Universität. [zi: ge:t ʃo:n laŋə auf di: univɛɐzitɛ:t]

Mijn zoon gaat naar het college: Mein Sohn geht aufs (= auf das) Gymnasium. [main zo:n ge:t aufs gymna:zium]

 

3. Een bewegingsrichting naar een georganiseerde samenkomst wordt eveneens weergegeven door het voorzetsel auf met accusatief (zie stap 22). Enkele voorbeelden:

We trekken naar de kermis: Wir ziehen auf das Schützenfest. [vi:ɐ tsi:ən auf das ʃytsnfɛst]

Gaan we naar de scouts? (Scouts als een voorbeeld van jeugdbeweging in België of Nederland): Gehen wir auf die Feuerwehr? [ge:ən vi:ɐ auf di: foiɐwe:r] (de brandweer is in Duitsland o.a. organisator van jeugdbewegingen)

Ik kan niet komen. Ik ga immers naar een begrafenis: Ich kann leider nicht kommen. Ich gehe auf eine Trauerfeier. [ɪç khan laidɐ nɪçt khomən ɪç geə auf ainə trauɐfaiɐ]

 

Tot daar de toepassingen die we reeds kenden uit vorige stappen. Daarbij komen nog:

4. Een bewegingsrichting naar een niet-onafhankelijk eiland wordt weergegeven door het voorzetsel auf met accusatief. Enkele voorbeelden:

We vliegen naar Mallorca: Wir fliegen auf Mallorca. [vi:ɐ fli:gn auf ma:jorkha]

Zij varen naar Helgoland: Sie fahren auf Helgoland. [zi: fa:rən auf Hɛlgo:lant]

Vaar je mee naar dat eiland daar? Fährst du mit auf die Insel dort? [fɛ:rst du: mɪt auf di: ɪnzəl dort]

 

5. Een bewegingsrichting naar een wel onafhankelijk eiland wordt weergegeven door het voorzetsel nach (dit voorzetsel wordt altijd en altijd gevolgd door een datief). Dit is een van de uitzonderlijk omstandigheden waarbij het voorzetsel nach gebruikt wordt voor het Nederlandse "naar". Enkele voorbeelden:

We fliegen naar Cyprus: Wir fliegen nach Zypern. [vi:ɐ fli:gn nach tsy:pɐn]

Morgen vaart zij naar Ierland: Morgen fährt sie nach Irland. [morgn fɛ:rt zi: na:x i:rlant]

Hij reist naar Malta. Er reist nach Malta. [e:ɐ raist na:x maltha]

 

6. Een bewegingsrichting naar een plaats zonder gebruik te maken van een lidwoord wordt eveneens weergegeven door het voorzetsel nach met datief (de andere enige uitzondering waarbij het voorzetsel nach gebruikt wordt voor het Nederlandse "naar"). Dit komt veel voor bij plaatsnamen. Even de aandacht vestigen: hier gaat het om de richtingaanduiding zonder lidwoord bij de navolgende richtingaanduiding! Enkele voorbeelden:

We rijden naar Berlijn: Wir fahren nach Berlin. [vi:ɐ fa:rən na:x bɛrli:n]

Vlieg je mee naar België? Fliegst du mit nach Belgien? [fli:gst du: mɪt na:x bɛlgiən]

Ik vertrek net naar Amerika. Ich reise gerade nach Amerika ab. [ɪç raizə gəra:də na:x ame:rikha ap]

Ga naar boven! Geh nach oben! [ge: na:x o:bn]

We bewegen ons naar het Noorden. Wir bewegen uns nach Norden [vɪ:ɐ bəve:gn uns na:x nordn] (in het Duits valt het lidwoord hierbij weg)

Wanneer kom je naar huis? Wann kommst du nach Hause? [van khomst du: na:x hauzə]

 

7. Een bewegingsrichting naar een plaats met vermelding van de plaatsnaam wordt echter weergegeven door het voorzetsel in, wanneer bij de richtingaanduiding wel een lidwoord gebruikt wordt. Enkele voorbeelden:

We trekken naar Nederland: Wir ziehen in die Niederlande. [vi:ɐ tsi:ən ɪn di: ni:dɐlandə] (In het Duits is "Nederland" steeds een woord in het meervoud.)

Vlieg je mee naar de USA? Fliegst du mit in die USA? [fli:gst du: mɪt ɪn di: u:ɛsa:]

Hij is vertrokken naar de stad Rotterdam. Er hat in die Stadt Rotterdam abgefahren. [e:ɐ hat ɪn di: ʃthat Rotɐdam apgəfa:rən] (ter herinnering: bij bewegingswerkwoorden gebruikt men in het Duits tegenwoordig het hulpwerkwoord haben)

We reizen naar Zwitserland: Wir verreisen in die Schweiz. [vi:ɐ fɛɐraizn ɪn di: ʃvaits] (in het Duits voegt men altijd een lidwoord bij de vrouwelijke naam van een staat: die Schweiz, die Türkei. Vele andere landen hebben een onzijdig geslacht: das Belgien, das Frankreich, enkelen echter hebben een mannelijk geslacht: der Iran, der Irak. Men gebruikt niet vaak een lidwoord bij onzijdige of mannelijke namen van staten, maar altijd bij vrouwelijke namen van staten.)

Hij vliegt naar de Stille oceaan: Er fliegt in die Südsee. [e:ɐ fli:gt ɪn di: zy:tze:]

Opmerking: Bemerk het verschil tussen Er fliegt in die Südsee en Er fährt an die Nordsee. In het eerste geval vliegt hij naar de Stille Oceaan in de betekenis van : rondreizen in de Stlle Oceaan. In het tweede geval gaat het om het zich verplaatsen naar de Noordzee, in de betekenis van "tot aan" de Noordzee. Zo kan u ook zeggen: Er fliegt in Belgien en Er fliegt nach Belgien. In het eerste geval wordt een reis doorheen België bedoeld. In het tweede geval wordt een reis naar België bedoeld.

 

8. Een bewegingsrichting naar een school (niet naar een universiteit of een college) wordt weergegeven door het voorzetsel in met accusatief. Enkele voorbeelden:

Haar dochtertje gaat reeds naar school. Ihr Töchterchen geht schon in die Schule. [i:ɐ thœçtɐçən ge:t ʃo:n ɪn di: ʃu:lə]

Hij gaat naar de technische school. Er geht in die Realschule. [e:ə ge:t ɪn di: rea:lʃu:lə]

(In sommige streken van Duitsland overheerst echter het gebruik van het voorzetsel auf voor bewegingen naar een school, zozeer dat dit gebruik naast het voorzetsel in reeds aanvaard geworden is in de Duitse standaardtaal.)

Uitspraak: Zoals reeds stappen terug werd aangegeven, last men in de uitspraak een korte (fractie van een seconde) pauze in tussen twee opeenvolgende helle klinkers zoals in Realschule. Voeg er geen uitgesproken "j" tussen, zoals het hoort te zijn in het Nederlands!

 

9. Een bewegingsrichting naar een persoon wordt weergegeven door het voorzetsel zu (dit voorzetsel wordt altijd en altijd gevolgd door een datief). Enkele voorbeelden:

Morgen komt zij naar jou. Morgen kommt sie zu dir. [morgn khomt zi: tsu: di:ɐ]

Dat kind vlucht naar zijn moeder. Das Kind flieht zur (= zu der) Mutter. [das khɪnt fli:t tsu:ɐ muthɐ]

Ik ga niet graag naar de tandarts. Ich mag es nicht zum (= zu dem) Zahnarzt zu gehen. [ɪç ma:k ɛs nɪçt tsu:m tsa:na:ɐtst tsu: ge:ən]

Opmerking: Men kan niet steeds alles letterlijk van het Nederlands naar het Duits vertalen. Dat blijkt reeds bij de twee voorbeelden hier net boven. Het kind vlucht naar zijn moeder, waarbij dit zijn niet vertaald wordt in het Duits. "Ik ga niet graag naar..." vertaalt men niet door "Ich gehe nicht gerne zu...", echter wel door het voorbeeld hier net boven.

 

Gebruik van het Duitse voorzetsel "in"

Buiten de gevallen hierboven vermeld, wordt het voorzetsel in ook gebruikt in volgende omstandigheden:

 

Beweging in de richting van iets. (Hierbij wordt ook in het Nederlands het voorzetsel "in" gebruikt). Voorbeelden:

Er kehrt zurück in seine Wohnung. [e:ɐ khe:rt tsu:ryk ɪn zainɐ vo:nuŋ]

Da gibt es noch einiges in den Bericht einzutragen. [da: gi:pt ɛs nox ainɪgəs ɪn de:n bərɪçt aintsu:tra:gn]

Nach wie vor treten Anwälte gern in eine politische Partei ein [na:x vi: fo:ɐ tre:thn anvɛlthə gɛrn ɪn ainə pholi:thɪʃə pharthai ain] (Nach wie vor betekent: "nog steeds, zoals voorheen")

Seine Erinnerungen reichen in die frühe Kindheit zurück. [zainə ɛɐɪnəruŋn raiçn ɪn di: fry:ə khɪnthait tsu:ryk] (Hier gaat het om een beweging van de gedachten in de richting van iets)

Die Programmierung des neuen Programms wird in den Herbst hinziehen. [di: progami:ruŋ dɛs noiən programs vɪrt ɪn de:n hɛɐpst hɪntsi:ən] (Hier gaat het om een beweging van een activiteit in de richting van een tijdsbepaling. Hinziehen betekent hier "duren tot" )

Sie hat sich in ihn verliebt. [zi: hat zɪç ɪn i:n fɛɐli:pt] (Hier gaat het om een beweging van gevoelens naar iemand toe.)

Er hat kein Vertrauen in ihn. [e:ɐ hat khain fɛɐtrauən ɪn i:n] (Hier gaat het eveneens om een beweging van de gevoelens naar iemand toe)

 

Voor plaatsaanduidingen gebruikt men de datief bij het voorzetsel in. Ook hier enkele voorbeelden waarbij het Duitse in overeenkomt met het Nederlandse"in":

Er lebt in der Stadt. [e:ɐ le:pt ɪn de:ɐ ʃ:that]

Die Kinder waren in der Schule. [di:khɪndɐ va:rən ɪn de:ɐ ʃu:lə]

Was war Achilles stark in dem Krieg gegen Troja! [vas va:ɐ axxlɛs ʃthark ɪn de:n kri:k ge:gn troja]

Er ist sehr tüchtig in seinem Beruf. [e:ɐ ɪst ze:ɐ thyçthɪç ɪn zainəm bəru:f] (Hier gaat het om een figuurlijke plaatsaanduiding)

Da hatte ich mich sehr in ihm getäuscht. [da hatə ɪç mɪç ze:ɐ ɪni:m g,əthoiʃt] (Hier gaat het om een figuurlijke plaatsaanduiding)

 

Zoals in het Nederlands wordt het voorzetsel in ook gebruikt om een tijdstip aan te geven. In dat geval gebruikt men de datief als een plaatsaanduiding in de tijd. Voorbeelden:

In dieser Zeit... [ɪn di:zɐ tsait]

In der nächsten Woche wird sie kommen. [ɪn de:ɐ nɛ:çsthn voxə vɪrt zi: khomən]

Heute in vierzehn Tagen hat er Geburtstag. [hoitə ɪn fɪrtse:n tha:gn hat e:ɐ gəburtstha:k]

 

Tenslotte wordt het voorzetsel in ook gebruikt om de aard of wijze van iets weer te geven, net zoals men in het Nederlands het voorzetsel "in" zou gebruiken. Voorbeelden:

In dieser Größe... [ɪn di:zə grøsə ]

Es gibt dieses Handy in allen Farben. [ɛs gi:pt di:zəs hɛndi ɪn alən farbn] (Een Handy is de Duitse vertaling voor een GSM, uitgesproken op zijn Engels.)

Sie befindet sich in großen Nöten. [zi: bəfɪndət zɪç ɪn gro:sn nøthn]

 

Niet steeds eenvoudige keuze tussen accusatief en datief

Hier volgen enkele voorbeelden waarbij zelfs Duitsers niet zelden twijfelen. De voorbeelden komen uit het gezaghebbende Duitse woordenboek "Duden".

Sie sollen in diese Richtung gehen. [zi: zoln ɪn di:zə rɪçthuŋ ge:ən] is een beweging in de richting van iets, dus accusatief. Maar wil men uitdrukken dat iemand in een bepaalde richting verder moet gaan (dat hij of zij moet aanhouden in die bepaalde richting), dan wordt met het voorzetsel niet de richting waarheen bedoeld, maar wel een plaatsaanduiding! Dan volgt aldus de datief, zoals in Sie sollen in dieser Richtung weiter gehen. [zi: zoln ɪn di:zɐ rɪçthuŋ vaitɐ ge:ən]. Ja, het is vaak dieper nadenken dan men zou vermoeden, om de juiste naamval te gebruiken. Troost u, oefening en gewoontevorming zullen u alweer helpen...

Ook in de volgende gevallen gaat het vaak om een subtiele naamvalskeuze:

In diesem Punkt soll ich zustimmen? [ɪ di:zm phuŋkt zol ɪç tsu:ʃɪmən (Het akkoord gaan met een bepaald agendapunt is geen beweging van de gedachten naar een akkoord toe, maar het resultaat van de beweging ernaar toe. Er is dan ook generlei sprake van een beweging, dus... datief)

Er willigte sofort in unsren Vorschlag ein. [e:ɐ vɪ:lɪçthə zo:fort ɪn unsrən fo:ɐʃla:k ain] (Hier gaat het om een beweging van de instemming in de richting van een voorstel. Het bereiken ervan is bijna voltooid. Hij richt zich naar een instemming toe. Het gaat aldus om een accusatief. Wil men het feitelijk bereiken van de instemming weergeven, dan zou men zeggen: Er hat in unsrem Vorschlag zugestimmt. )

Sie wurde in das Krankenhaus aufgenommen. [zi: vurdə ɪn das kraŋkhnhaus aufgənomən]. Hier gaat het eigenlijk heel duidelijk om een beweging in de richting van het ziekenhuis. Maar... Sie kehrte in dem Krankenhaus ein. [zi: khe:rthə ɪn de:m kraŋkhnhaus ain] wordt met datief gebruikt, omdat einkehren het toekomen betekent in het ziekenhuis. Er is van geen verplaatsingsbeweging sprake (die beweging is net achter de rug), wel van de aankomst... dus datief. Het werkwoord einkehren heeft dezelfde betekenis als het werkwoord eintreffen. Beide betekenen "aankomen, toekomen", wat geen verplaatsingsbeweging is in de richting van iets, maar wel een feitelijk bereiken van het einddoel, dus... datief.

Die Gauner wollen in die Bank einbrechen. [di: gaunɐ voln ɪn di: baŋk ainbrɛçn]. Hier gaat het om een beweging in de richting van de bankinstelling. Maar... Die Gauner wollen in der Bank gegenüber der Kirche einbrechen. [di: gaunɐ voln ɪn de:ɐ baŋk ge:gnybɐ de:ɐ khɪrçə ainbrɛçn] Door de aangifte van de locatie van de bank met gegenüber der Kirche bedoelt men een duidelijke plaatsaanduiding en wordt aldus de datief gebruikt! (Bijkomende informatie: het voorzetsel gegenüber wordt altijd en altijd gevolgd door een datief).

Hetzelfde doet zich voor bij Wir luden ihn in unser Haus ein. [vɪ:ɐ ludn i:n ɪn unzɐ haus ain]. Hier gaat het om een beweging (een uitnodiging) in de richting van ons huis. Maar... Wir ladeten ihn in unsrem neuen Haus ein [vɪ:ɐ la:dəthn i:n ɪn unsrəm noiən haus ain] is een plaatsaanduiding door speciaal te wijzen op ons "nieuw gebouwd" huis... datief. Ja ja... nadenken is steeds noodzakelijk om juiste naamvallen te kiezen.

 

In stap 25 worden de nog niet behandelde voorzetsels met accusatief en datief doorgenomen; dit zijn hinter, neben, über, unter, zwischen. Tevens komen oefeningen aan de beurt...

 

 
Lijst van alle stappen



 

Verantwoordelijkheid: Sebastian Norbert Hope, Niedersachsen, Deutschland (zie contact).