U bevindt zich hier: Lijst stappen Stap 22  

STAP 22

Hoofdaccent: Voorzetsel "auf"

Indien u nog geen Duits spreekt of nog niet redelijk foutloos kan schrijven, is het aangewezen te starten met de inleidende algemene informatie en de eerste stap.

"Ich gehe auf die Bank."
[ɪç ge:ə auf di: baŋk]

In vorige stap (stap 21) werd aangegeven hoe voorzetsels [met name "an, auf, hinter, in, neben, über, unter, vor, zwischen" door een accusatief of door een datief gevolgd worden, waarbij zij zowel een richtingaanduiding - richting naar iets of iemand - (accusatief) kunnen weergegeven, alsook een plaatsaanduiding (datief). Is dit u nog niet erg duidelijk, herlees dan in alle rust stap 21 met voorbeelden voor het voorzetsel "an". Het principe ter keuze van accusatief of datief moet u zich echt eigen maken. Anders worden de eerstkomende stappen uiterst moeilijk voor u.

Het zijn slechts bovenvermelde negen voorzetsels die door zowel een accusatief als een datief kunnen gevolgd worden. U mag rustig een ander voorzetsel zoeken dat door die twee naamvallen gevolgd kan worden... u zal er geen vinden. Nog even erop wijzen dat een accusatief alleen kan, als het gaat om een richtingaanduiding in de richting van iets. Voor bewegingen vanuit een richting gebruikt men de datief, zoals voor de voorzetsels "aus, von". In een latere stap zullen we twee voorzetsels tegenkomen, die een uitzondering vormen. De voorzetsels "nach, zu" kunnen een beweging weergeven in de richting van iets en worden toch altijd gevolgd door de datief.

SPRAAKKUNST

substantief:   is de naam die gegeven wordt aan een object (bv.: mens, voorwerp) of een niet materieel iets (bv.: gevoelens). Men noemt dit ook een zelfstandig naamwoord.

onderwerp:   veelal de persoon of voorwerp die/dat iets doet in de zin, of waarvan een eigenschap vermeld wordt. Staat in de naamval nominatief.

lijdend voorwerp:   de persoon of het voorwerp waarop de handeling in de zin uitgevoerd wordt. Staat in de naamval accusatief.

meewerkend voorwerp:   de persoon of het voorwerp die met het werkwoord meewerkt. Staat veelal in de datief of anders gekoppeld aan een voorzetsel.

voorzetsel:   een woord dat een bepaalde betrekking weergeeft tussen twee substantieven, of tussen een werkwoord en een substantief.

lidwoord:   een woord dat aan een persoon of een voorwerp voorafgaat en er "lid" van geworden is.

adjectief:   is een woord dat een substantief karakteriseert, er een eigenschap van weergeeft. Het staat bij een substantief. Men noemt het ook een bijvoeglijk naamwoord.

predicatief:   is een adjectief dat een gelijkstelling weergeeft en gekoppeld is aan de werkwoorden "sein, werden, bleiben". Het wordt nooit verbogen.

naamval:    de verandering in een woord (verbuiging) die bepaalt welke woordsoort (bv.: onderwerp, lijdend voorwerp) het woord in de zin is. Belangrijk in het Duits!

verbuigen:    is het aanpassen van het woord aan de noodzakelijke naamval. Een tussenwerpsel of een bijwoord worden nooit verbogen.

nominatief:    is de naamval die bepaalt welke persoon of welk voorwerp het "onderwerp" van de zin is.

genitief:    is de naamval die het bezit van of de afhankelijkheid tegenover een betrokken substantief uitdrukt. Deze naamval wordt ook gebruikt na heel wat voorzetsels.

datief:    is de naamval die bepaalt welke persoon of welk voorwerp het "meewerkend voorwerp" van de zin is, of die verbonden is aan een bepaald voorzetsel.

accusatief:    is de naamval die bepaalt - onder andere - welke persoon of welk voorwerp het "lijdend voorwerp" van de zin is.

voornaamwoord:    woord dat een persoon aanduidt zonder hem of haar expliciet te noemen. "Hem" en "haar", "ik", "jij", "hij", "zij" en zo meer zijn bijvoorbeeld voornaamwoorden.

bijwoord:    is een woord dat een adjectief of een werkwoord nader kan bepalen. Het wordt nooit verbogen en kan uit de zin weggelaten worden, zonder dat de zinsconstructie in gevaar komt.

werkwoord:    is een woord dat de actie of de werking van de zin uitvoert.

vervoegen:    is het aanpassen van een werkwoord aan de persoon, aan de hoeveelheid personen, aan de tijd en aan meer.

deelwoord (Partizip):    is het woord dat deelt in de eigenschappen van meerdere woordsoorten, zoals werkwoorden, adjectieven en substantieven.

 

Twee belangrijke aandachtspunten

Vooreerst de juiste naamval: Gebruikt u een foute naamval, dan verstaat geen Duitser u! Voorbeeld met het voorzetsel "an" uit vorige stap:

Veronderstel dat u zegt: "Ich gehe an der Nordsee. " [ɪç ge:ə an de:ɐ nortze:] Elke Duitser zal dit verstaan alsof u langsheen de Noordzee gaat (over het strand wandelt). Immers de gebruikte datief wijst erop, dat u de plaats bepaalt, waar u zich beweegt, zonder iets te vermelden over de richting waarheen. Had u gezegd: "Ich gehe an die Nordsee. " [ɪç ge:ə an di: nortze:], dan zou een Duitser dit verstaan alsof u zich naar de Noordzee ( in de richting van de Noordzee) beweegt. Hier zien we, hoe belangrijk de juiste naamval is om goed verstaan te worden. Ja, het gebeurt wel eens, dat een anderstalige beweert dat Duitsers hun eigen naamvallen lang niet steeds juist gebruiken. Na deze twee voorbeelden van "Ich gehe an der Nordsee. " en "Ich gehe an die Nordsee. " zal het u wel duidelijk zijn, dat Duitsers hun naamvallen wel degelijk juist gebruiken. Ze moeten wel, anders zouden zij zichzelf onverstaanbaar maken! Duitsers hebben zich van kindsbeen af het taalgevoelen eigen gemaakt om spontaan de juiste naamval te gebruiken. Met schade en schande leerden Duitse kleuters dat een foutieve naamval automatisch een uitspraak helemaal anders kan doen overkomen (zoals bij deze hogere twee voorbeelden). Een peuter of kleuter die zegt "Mama, darf ich am (am = an dem) Wasser?" (Mama, mag ik naar het water gaan) zal steeds opnieuw door de moeder gecorrigeerd worden om te zeggen "Mama, darf ich ans (am = an das) Wasser?". Neen, een Duits kind ligt niet wakker bij de vraag: "Beweeg ik nu in de richting van, of vanuit een richting, of bepaal ik een plaats? Dat kind leert vanuit een automatisme en vanuit de noodzaak verstaan te worden de juiste naamval te gebruiken. Anderstaligen hebben dat automatisme niet, tenzij zij als klein kind in het Duits zijn opgegroeid. Daarom moeten wij de moeite doen om ons steeds af te vragen: "Is het een beweging naar iets of iemand (accusatief), of vanuit een richting (datief) of een plaatsaanduiding (eveneens datief)?" Maar wees gerust: na een aantal jaren gaat dit bij u ook volautomatisch. Gemiddeld duurt het een vijftal jaar, vooraleer u zich dit automatisme echt eigen hebt gemaakt... Uiteindelijk heeft een Duitse peuter of kleuter er ook langere tijd over gedaan om die naamvallen zo te gebruiken, dat hij of zij door mama en papa juist verstaan wordt (verontschuldig me, dat ik uw situatie als (volwassen) anderstalige vergelijk met deze van een peuter of kleuter...).

Een tweede belangrijk aandachtspunt: de keuze van het juiste voorzetsel. In elke taal geeft men andere invullingen voor gelijkaardige voorzetsels in andere talen. Neem nu bijvoorbeeld het Nederlandse "aan". In het Frans is dit "à" en in het Duits "an". Maar zowel het Frans als het Duits gebruiken dit voorzetsel zeer vaak voor bewegingen "naar" iets. Zegt u "Ik ga naar Parijs", dan wordt dit in het Frans niet "je vais vers Paris", maar wel "Je vais à Paris". Net zo is het in het Duits: niet "Ich fahre nach der Ostsee", maar "Ich fahre an die Ostsee" (kort uitgesproken "o"). Ja, ook hier dient een automatisme te komen, dat op zich weer jaren geduld vraagt...

Opmerking: Voor wateroppervlakken gebruikt men in het Duits meerdere woorden. Een ingesloten water (een meer) is steeds der See [de:ɐ ze:] (mannelijk). Een open water (een zee) kan nu eens die See [di: ze:] (vrouwelijk) genaamd worden, dan weer das Meer [das me:ɐ]. De keuze tussen deze twee woorden is eerder arbitrair. Soms bepaalt men, dat das Meer [das me:ɐ] een zee is die bestaat uit meerdere zeeën, maar die bepaling gaat niet steeds op. Gewenning met de Duitse taal zal u helpen om tussen beide woorden juist te kiezen. Zo spreekt men over die Nordsee [di: nortze;], die Ostsee [di: ostze;], das Mittelmeer [das mɪthlme:ɐ], das Schwarze Meer [das ʃvartse me:ɐ], das Rote Meer [das ro:thə me:ɐ], das Gelbe Meer [das gɛlbə me:ɐ]. Een oceaan is der Ozean [de:ɐ o:tsea:n] ("o" lang uitspreken), maar wordt vaak ook das Weltmeer [das vɛltme:ɐ] genaamd. Heel bijzonder is de benaming van de zuidelijke Stille Oceaan. Die noemt men in het Duits die Südsee [di: zy:tze;].

In de vorige stap zagen we in welke omstandigheden het voorzetsel "an" gebruikt wordt. In deze stap benaderen we het voorzetsel "auf".

 

Het voorzetsel "auf" met accusatief

U zal het al raden: het voorzetsel "auf" wordt door een accusatief gevolgd, als het een richtingaanduiding naar iets weergeeft. Let echter wel op voor het juiste gebruik van dit voorzetsel: meestal bedoelt men er een beweging mee in de richting "bovenop" iets anders. Voorbeelden:

Sie legt sich auf die Couch. [zi: le:kt zɪç auf di: kautʃ]

Er aber legt sich auf den Boden. [e:ɐ a:bɐ le:kt zɪç auf de:n bo:dn]

Sie stellt die Vase auf den Schrank. [Zi: ʃthɛlt di: va:zə auf de:n ʃraŋk]

Du trittst mich immer auf die Füße! [du: trɪtst mɪç ɪmɐ auf di: fy:sə]

Wir fahren auf das Meer hinaus. [vɪɐ fa:rən auf das me:ɐ hɪnaus]

 

De voorbeelden hierboven geven allen bewegingen weer in de richting "bovenop" iets. Bijvoorbeeld Er legt sich auf den Boden [e:ɐ le:kt zɪç auf de:n bo:dn] betekent: "hij legt zich bovenop de grond". Zou u willen zeggen "Pas op! Hij valt op de grond!", dan bedoelt u duidelijk dat hij zich tijdens het vallen in de richting van de grond beweegt, zonder speciaal aan te willen geven dat hij "bovenop" de grond zal terechtkomen (in die uitspraak is van het terechtkomen nog helemaal geen sprake; alleen het vallen wordt vermeld). Hier gebruikt men dan ook het voorzetsel "an" (beweging naar iets toe) in de zin Pass aus! Er fällt an den Boden. [phs auf e:ɐ fɛlt an de:n bo:dn]. Hetzelfde doet zich voor in de volgende zin: "Het speeltuig van de kleine ligt alweer op de grond". Daarbij wordt bedoeld, dat het speeltuig alweer op de grond ligt, zonder te willen duidelijk maken, dat dat speelgoed expliciet "bovenop" de grond ligt. Bij die uitspraak gaat het eigenlijk om het herhaald op de grond smijten van dat speeltuig. We zeggen dan ook: Das Spielzeug des Kleinen liegt schon wieder am (am = an + dem) Boden. [das ʃ:phi:ltsoik dɛs klainən li:kt ʃo:n vi:dɐ am bo:dn] (met datief omdat hier een plaatsaanduiding voorkomt). Het verschil tussen "auf" en "an" zal u ook duidelijk worden bij de hogervemelde zin Sie stellt die Vase auf den Schrank [zi: ʃthɛlt di: va:zə auf de:n ʃraŋk]. Daarbij wordt duidelijk bedoeld, dat zij die vaas "bovenop" de kast plaatst. Nadien zou men zeggen: Die Vase steht am (am = an + dem) Schrank [di: va:zə ʃthe:t am ʃraŋk] (datief wegens plaatsaanduiding). Hier wordt duidelijk gemaakt - zoals in de vorige stap aangegeven - dat de vaas in relatie tot de gehele ruimte te vinden is op de kast. Het gebruik van het voorzetsel an is misschien nog beter te verstaan in de volgende context, waarbij iemand zoekend rondkijkt in een kamer en aan u vraagt: "Wo steht die Vase?" ... "Dort! Sie steht am Schrank." [vo: ʃthje:t di: va:zə dort zi: ʃthe:t am ʃraŋk]. Maar... bedoelt men expliciet dat de vaas bovenop de kast staat in plaats van erin, dan zegt men Die Vase steht aufm (aufm = auf + dem) Schrank [di: va:zə ʃthe:t aufm ʃraŋk] (weer met datief als plaatsaanduiding). Hetzelfde geldt bijvoorbeeld voor Die Vase steht am (am = an + dem) Tisch [di: va:zə ʃthe:t am thɪʃ] en Die Vase steht aufm (aufm = auf + dem) Tisch [di: va:zə ʃthe:t aufm thɪʃ].

 

Het voorzetsel "auf" gebruikt men ook in de betekenis van "naar", wanneer het gaat om een beweging naar een openbare instelling. Voorbeelden:

Ich gehe auf die Bank. [ɪç ge:ə auf di: baŋk]

Sie geht auf die Post. [zi: ge:t auf di: phost]

Er geht auf die Universität. [e:ɐ ge:t auf di: univɛrzi:tɛ:t]

Wir sollen aufs [= auf + das] Rathaus gehen. [vɪɐ zoln aufs ra:thaus ge:n]

 

Zo zien we maar: het Nederlandse voorzetsel "naar" wordt in het Duits nu eens "an" (zie voorbeelden in de vorige stap) en dan weer "auf" zoals in deze voorbeelden hier. In de volgende stap zullen we dit Nederlandse "naar" vertalen in het voorzetsel "in", en nog later zullen we voorbeelden zien waarbij het voorzetsel "zu" gebruikt wordt, en heel uitzonderlijk het voorzetsel "nach"!

 

Ook voor beweging naar een georganiseerde samenkomst gebruikt men het voorzetsel "auf" in de plaats van het Nederlandse "naar". Voorbeelden:

Heute gehen wir auf die Hochzeit unsrer Tochter. [hoitə ge:n vɪɐ auf di: hoxtsait unsrɐ thoxthɐ]

Ich habe keine Zeit. Ich fahre gerade auf die Tagung. [ɪç ha:bə kainə tsait ɪç fa:rə gəra:də auf di: tha:guŋ] (Tagung = conferentie, vergadering)

Morgen gehe ich auf Urlaub. [morgən ge:ə ɪç auf u:ɐlaup] (op verlof gaan kan beschouwd worden als een georganiseerde samenkomst)

Mein Freund geht gerne auf Jagd. [main froint ge:t gɛrn auf ja:kt]

Uitspraak: De "o" in alle woorden waarin hoch voorkomt, wordt lang uitgesproken zoals in der Hochmut [de:ɐ ho:xmu:t], der Hochbau [de:ɐ ho:xbau], hochachten [ho:xaxthn], maar... het woord die Hochzeit [di: hoxzait] is de enigste uitzondering waarbij de "o" kort uitgesproken wordt.

 

Het voorzetsel "auf" wordt ook in volgende gevallen met de accusatief gebruikt. Deze voorbeelden komen overeen met het Nederlandse "op":

Auf brutale Art wurde er geschlagen. [auf brutha.lə a:ɐt vu:ɐdə e:ɐ gəʃla:gn] (men gebruikt de accusatief omdat hier een beweging naar een aard van handelen toe gaat. Pas op: de "a" in Art wordt lang uitgesproken)

Auf diese Weise geht es nicht. [auf di:zə vaizə ge:t ɛs nɪçt]

Die Mannschaft spielt auf Zeit. [di: manʃaft ʃphi:lt auf tsait]

Lassen wir auf sein Wohl anstoßen. [lasn vɪɐ auf zain vo:l anʃtho:sn] (Zoals alle voorbeelden hier gaat het om een beweging naar een toestand toe, dus accusatief)

Er ist auf meine Bitte hingegangen. [e:ɐ ɪst auf maine bɪthə hɪngəgaŋn] (Ook hier gaat het om een beweging naar een toestand toe (naar mijn vraag [Bitte] toe), dus accusatief)

achten auf etwas [axthn auf ɛtvas] (Hier gaat het om het richten van de aandacht naar iets)

sich freuen auf etwas [zɪç froiən auf ɛtvas] (Ook hier gaat het om een beweging van 'de vreugde ervaren' naar iets [etwas] toe)

 

Het voorzetsel "auf" met datief

In alle situaties waarbij een plaatsaanduiding weergegeven wordt, volgt op het voorzetsel "auf" de datief. Daarbij kan een beweging voorkomen, maar het voorzetsel geeft in dat geval generlei de richting aan, alleen maar de plaats waar de beweging plaatsgrijpt. Voorbeelden van dit voorzetsel met datief:

Wir liegen auf dem Sofa. [vɪɐ li:gn auf de:m zo:fa]

Die Vase steht oben auf dem Schrank. [di: va:zə ʃthe:t o:bn auf de:m ʃraŋk]

Er lebt auf dem Land. [e:ɐ le:pt auf de:m lant]

Wir begegneten uns auf der Straße. [vɪɐ bəge:gnəthən uns auf de:ɐ ʃtra:se]

Sie ist auf der Universität [zi: ɪst auf de:ɐ univɛɐzitɛ:t]

Er geht aufs (aufs = auf + das) Rathaus, um sich aufm Standesamt registrieren zu lassen [e:ɐ ge:t aufs ra:thaus um zɪç aufm ʃthandəsamt re:gistri:rən tsu: lasn]

 

Een speciaal gebruik van het voorzetsel "auf" doet zich voor in situaties waarbij men iets "open" doet ( toe doen = "zu machen"). Men zegt in het Duits zelden tot nooit "offen" (voor "open"): Voorbeelden:

Mach die Tür auf, bitte! [max di: thy:ɐ auf bɪthə]

Das Fenster steht auf. [das fɛnʃthɐ ʃthe:t auf]

Soll ich die Tür auf lassen? Nein, Sie können sie zu machen. [zol ɪç di: thy:ɐ auf lasn nain zi: khœnən zi: tsu: maxn]

Das Buch liegt schon Wochen auf. [das bu:x li:kt ʃo:n voxn auf]

Die Wunde liegt auf. [di: vundə li:kt auf]

Maar... voor het adjectief "open" gebruikt men het woord offen, zoals in die offene Wunde [di: ofnə vundə] en die offene Tür [di: ofnə thy:ɐ].

 

Een aantal vaste uitdrukkingen gebruiken dit voorzetsel:

Auf und davon! [auf und da:fon] (betekent: snel weg!)

Er läuft immer auf und ab. [e:ɐ loift ɪmɐ auf unt ap] (betekent: op en af)

auf keinen Fall, auf jeden Fall [auf kainən fal auf je:dn fal] (betekent: generlei, in ieder geval)

gut drauf sein [gu:t drauf zain] (betekent: gezond zijn. Hierbij is drauf een veel gebruikte samenvoeging van dar + auf)

 

Bij deze gelegenheid is het even nuttig te weten, dat men vaak een voorzetsel met een lidwoord versmeldt, alsook "dar & her" met een voorzetsel. In alle gevallen is dit omgangstaal, geen standaardtaal, hoewel deze versmeltingen algemeen aanvaard worden in de standaardtaal. U bent echter generlei verplicht om steeds dergelijke versmeltingen te gebruiken. Voorbeelden ervan:

auf + dem = aufm

auf + das = aufs

an + dem = am

an + das = ans

in + dem = im

in + das = ins

hinter + dem = hinterm

hinter + das = hinters

hinter + den = hintern

über + dem = überm

über + das = übers

über + den = übern

unter + dem = unterm

unter + das = unters

unter + den = untern

für + das = fürs

durch + das = durchs

um + das = ums

bei + dem = beim

von + dem = vom

zu + dem = zum

zu + der = zur

dar + an = dran

dar + auf = drauf

dar + in = drin

dar + über = drüber

dar + unter = drunter

dar + ein (ein als voorvoegsel van werkwoorden met de betekenis "in") = drein

dar + um = drum

dar + aus = draus

dar + in = drin

her + über = rüber

her + unter = runter

her + ein (ein als voorvoegsel van werkwoorden met de betekenis "in") = rein

her + um = rum

her + aus = raus

Uitspraak: Articuleren is "zo" belangrijk in het Duits! Het woord drauf [drauf] is daartoe een goede gelegenheid. Spreek het woord eens extra uit waarbij de "r" rollt, rollt en rollt. Dat is moeilijk na een "d", niet? Laat daarbij de "r" niet schuren achteraan tegen de keelholte, maar laat ze rollen, hoe moeilijk het ook is. En let dan goed op het zeer 'vol' klinken van de "au" en haal die klinker iets langer aan dan in het Nederlands. Spreek alles daarbij in het achterste gedeelte van de mond uit en toch overduidelijk articuleren. Geen Duitser verstaat u, als u niet articuleert. Keer op keer zal een aangesproken Duitser u vragen om even te herhalen, wat u zei... om het toch maar te kunnen verstaan. Daarom: ARTCULEREN!
Nu we het toch over articuleren hebben: spreek de "a" in het woord "an" zeer scherp en zeer kort uit, en... laat de "n" langer aanhouden dan in het Nederlands.

 

In stap 23 benaderen we de voorzetsel "vor".

 

 
Lijst van alle stappen



 

Verantwoordelijkheid: Sebastian Norbert Hope, Niedersachsen, Deutschland (zie contact).