U bevindt zich hier: Lijst stappen Stap 21  

STAP 21

Hoofdaccent: Voorzetsel "an"

Indien u nog geen Duits spreekt of nog niet redelijk foutloos kan schrijven, is het aangewezen te starten met de inleidende algemene informatie en de eerste stap.

"Wir fahren an die Nordsee."
[vi:ɐ fa:rən an di: nortze:]

Vanaf deze stap zullen we moeten tonen hoezeer we reeds als een Duitstalige beginnen te denken en hoe we afstand nemen van het zich uitdrukken als een Nederlandstalige. Een ware beproeving, die in de komende stappen duidelijk zal worden. Het probleem van de voorzetsels wordt aangesneden... En om er al meteen flink in te vliegen, behandelen we in deze stap de voorzetsels die ofwel met een accusatief ofwel met een datief gevolgd worden.

Drie categorieën voorzetsels.

Reeds in een eerdere stap bepaalden we een voorzetsel als een woord dat een betrekking weergeeft tussen twee substantieven, of tussen een werkwoord en een substantief. Dat laatste geval komt in deze stap veelvuldig voor.

Iets of wat kan men alle voorzetsels in de Duitse taal indelen in drie categorieën:

 

1. Voorzetsels die een beweging tot uitdrukking brengen in de richting van iets of iemand (een richtingaanduiding). Lees goed en wel: beweging in een richting, niet beweging vanuit een richting! Men kan de vraag erbij stellen: waarheen gaat de beweging? Deze voorzetsels worden gevolgd door de accusatief.

2. Voorzetsels die een plaatsaanduiding tot uitdrukking brengen waarbij een eventuele beweging (met de vraag waarheen) bijzaak is tegenover die bepaalde voorzetsels; met andere woorden: waar bij de plaatsaanduiding de vraag gesteld wordt: waar bevindt zich iets of iemand, niet de vraag waarheen beweegt zich iets of iemand. Maar... ook een beweging vanuit een richting wordt ermee tot uitdrukking gebracht. Lees goed en wel: beweging vanuit een richting, niet in een riching. Deze voorzetsels worden gevolgd door de datief.

3. De meeste andere voorzetsels worden gevolgd door de genitief, hoewel in de laatste eeuwen en vooral in de laatste decennia een heel langzame evolutie plaatsgrijpt van de genitef naar de datief.

 

Een eerste greep uit voorzetsels:

Zo wordt "aus" [aus] gevolgd door de datief. Ziet u reeds waarom? Inderdaad, met dit voorzetsel wordt heel vaak een beweging vanuit een richting weergegeven. Voorbeelden:

Sie kam aus dem Haus. [zi: kha:m aus de:m haus]

Er blutet aus der Nase. [e:ɐ bluthət aus de:ɐ nazə]

Das Bild stammt aus dem 15. Jahrhundert. [das bɪlt ʃthamt aus de:m fynftse:nthn ja:ɐhundərt]

Zo wordt "durch" [durç] gevolgd door de accusatief. Ziet u reeds waarom? Inderdaad, met dit voorzetsel wordt een beweging in een richting weergegeven, waarbij men zich weliswaar doorheen iets beweegt. Voorbeelden:

Man soll durch die Nase atmen. [man zol durç di: nazə atmən] (= beweging van de lucht in de richting van de longen, doorheen de neus)

Er hat sich durch viele Jahre bewährt. [e:ɐ hat zɪç durç fi:lə ja:rə bəvɛ:rt] (= beweging van een levensloop in de richting voorwaarts, doorheen de jaren. "Sich bewähren" betekent 'zich waarmaken.)

Het voorzetsel "für" [fyɐ] wordt heel vaak gebruikt om een doeleinde weer te geven. Ha... een beweging van strevingen naar een doel toe, dus de accusatief zal volgen.

Het voorzetsel "von" [fon] wordt heel vaak gebruikt om het uitgangspunt van iets tegenover een ander iets weer te geven (bezit). Kijk eens aan... dat lijkt wel een virtuele beweging vanuit een richting: dus datief.

In een van de volgende stappen zullen we tal van dergelijke voorzetsels behandelen, die gevolgd worden door de accusatief of de datief. Daarbij zal het u duidelijk worden, dat bijvoorbeeld "durch, für, gegen, um" [durç fyɐ ge:gn um] steeds met accusatief gevolgd worden, en dat bijvoorbeeld "nach, zu, von, mit, aus" [na:x tsu: fon mɪt aus] steeds met een datief gevolgd worden. Dat lijkt u misschien vreemd, omdat u bv. zou neigen om het Nederlandstalig voorzetsel 'naar' te vertalen in "nach", wat in de meeste gevallen totaal fout is. Meer aldus in volgende stappen...

 

Voorzetsels met accusatief of datief

 

*

 

Er zijn een aantal voorzetsels die - afhankelijk van de context in de zin - nu eens een beweging in de richting van weergeven (een richtingaanduiding), en dan weer een plaatsaanduiding waarbij een eventuele beweging bijzaak is tegenover dat bepaalde voorzetsel. Het spreekt voor zich, dat we die voorzetsels laten volgen door een accusatief als zij een beweging in een richting weergeven, maar door een datief laten volgen, als zij een plaatsaanduiding (niet-beweging) weergeven.

Deze voorzetsels zijn:

"an" [an]

"auf" [auf]

"hinter" [hɪnthɐ]

"in" [ɪn]

"neben" [ne:bn]

"über" [ybɐ]

"unter" [unthɐ]

"vor" [fo:ɐ]

"zwischen" [tsvɪʃn]

SPRAAKKUNST

substantief:   is de naam die gegeven wordt aan een object (bv.: mens, voorwerp) of een niet materieel iets (bv.: gevoelens). Men noemt dit ook een zelfstandig naamwoord.

onderwerp:   veelal de persoon of voorwerp die/dat iets doet in de zin, of waarvan een eigenschap vermeld wordt. Staat in de naamval nominatief.

lijdend voorwerp:   de persoon of het voorwerp waarop de handeling in de zin uitgevoerd wordt. Staat in de naamval accusatief.

meewerkend voorwerp:   de persoon of het voorwerp die met het werkwoord meewerkt. Staat veelal in de datief of anders gekoppeld aan een voorzetsel.

voorzetsel:   een woord dat een bepaalde betrekking weergeeft tussen twee substantieven, of tussen een werkwoord en een substantief.

lidwoord:   een woord dat aan een persoon of een voorwerp voorafgaat en er "lid" van geworden is.

adjectief:   is een woord dat een substantief karakteriseert, er een eigenschap van weergeeft. Het staat bij een substantief. Men noemt het ook een bijvoeglijk naamwoord.

predicatief:   is een adjectief dat een gelijkstelling weergeeft en gekoppeld is aan de werkwoorden "sein, werden, bleiben". Het wordt nooit verbogen.

naamval:    de verandering in een woord (verbuiging) die bepaalt welke woordsoort (bv.: onderwerp, lijdend voorwerp) het woord in de zin is. Belangrijk in het Duits!

verbuigen:    is het aanpassen van het woord aan de noodzakelijke naamval. Een tussenwerpsel of een bijwoord worden nooit verbogen.

nominatief:    is de naamval die bepaalt welke persoon of welk voorwerp het "onderwerp" van de zin is.

genitief:    is de naamval die het bezit van of de afhankelijkheid tegenover een betrokken substantief uitdrukt. Deze naamval wordt ook gebruikt na heel wat voorzetsels.

datief:    is de naamval die bepaalt welke persoon of welk voorwerp het "meewerkend voorwerp" van de zin is, of die verbonden is aan een bepaald voorzetsel.

accusatief:    is de naamval die bepaalt - onder andere - welke persoon of welk voorwerp het "lijdend voorwerp" van de zin is.

voornaamwoord:    woord dat een persoon aanduidt zonder hem of haar expliciet te noemen. "Hem" en "haar", "ik", "jij", "hij", "zij" en zo meer zijn bijvoorbeeld voornaamwoorden.

bijwoord:    is een woord dat een adjectief of een werkwoord nader kan bepalen. Het wordt nooit verbogen en kan uit de zin weggelaten worden, zonder dat de zinsconstructie in gevaar komt.

werkwoord:    is een woord dat de actie of de werking van de zin uitvoert.

vervoegen:    is het aanpassen van een werkwoord aan de persoon, aan de hoeveelheid personen, aan de tijd en aan meer.

deelwoord (Partizip):    is het woord dat deelt in de eigenschappen van meerdere woordsoorten, zoals werkwoorden, adjectieven en substantieven.

Ja, vaak neemt een niet-Duitstalige allerlei trucjes in koop om deze negen voorzetsels uit het hoofd te leren. Dat is lovenswaardig, maar... is dat wel zo nuttig? Zou het niet beter zijn, om een verstandelijke verklaring bij de hand te hebben, waarom deze negen voorzetsels nu eens de accusatief en dan weer de datief gebruiken?

Het beste middel om deze voorzetsels te leren gebruiken, is het nut ervan te leren kennen. namelijk: elke beweging in de richting van iets of iemand (een richtingaanduiding) veroorzaakt een accusatief; elke plaatsaanduiding waarbij een eventuele beweging bijzaak is tegenover het betreffend voorzetsel, leidt tot een datief. Dat is de stelregel, die u zal helpen om deze negen voorzetsels juist te gebruiken. Alle andere (lap)middeltjes zijn ergens uit ten boze, want zij leiden enkel naar het automatisch weten, dat die voorzetsels twee naamvallen toelaten, zonder echter bewust te worden wanneer de accusatief, en wanneer de datief gebruikt moet worden. Ja,het zijn er exact negen. Probeer maar eens andere voorzetsels te vinden die zowel een beweging in de richting naar (niet vanuit een richting), als een plaatsaanduiding weer kunnen geven waarbij een eventuele beweging bijzaak is tegenover die bepaalde voorzetsels. U zal er geen vinden...

Oefening baart kunst. Hou u vast, daar gaan we... Neem vanaf nu afstand van uw Nederlandstalige denkpatronen en wordt een echte Duitstalige!

 

Voorzetsel "an"

Dit voorzetsel kan een beweging in de richting van iets of iemand uitdrukken (dus: accusatief volgt). Men drukt in dit geval een beweging uit 'tot aan' iets of iemand. Het voorzetsel komt daarbij vaak overeen met de Nederlandstalige voorzetsels 'aan, bij, naar, tegen en op'. Voorbeelden:

Wir fahren an die Nordsee. [vi:ɐ fa:rən an di: nortze:] (Dit is een voorbeeld van het Nederlandse 'naar', te verstaan als 'tot aan')

Der Junge wirft den Ball an die Mauer. [de:ɐ juŋə vɪrft de:n bal an di: mauɐ] (Dit is een voorbeeld van het Nederlandse 'tegen', te verstaan als 'tot aan')

Sie nahm ihr Kind an die Hand. [zi: na:m i:ɐ khɪnt an di: hant] (Dit is een voorbeeld van het Nederlandse 'bij', te verstaan als 'beweging in de richting van haar hand')

 

Laten we deze drie voorbeelden even bekijken van een plaatsaanduiding waarbij een eventuele beweging bijzaak is tegenover het voorzetsel:

Wir sind an der Nordsee. [vi:ɐ zint an de:ɐ nortze:] (plaatsaanduiding bij de vraag: waar?)

Der Ball liegt an der Mauer. [de:ɐ bal li:kt an de:ɐ mauɐ] (plaatsaanduiding bij de vraag: waar?)

Das Kind läuft an der Hand seiner Mutter. [das khɪnt loift an de:ɐ hant zainɐ muthɐ] (Hier gaat het om een plaatsaanduiding waarbij de beweging van het kind bijzaak is tegenover dat, wat het voorzetsel tot uitdrukking wil brengen, namelijk: waar loopt het kind? Antwoord: aan de hand van zijn of haar moeder.)

 

Misschien moeilijker is het zich voor te stellen, dat bewegingen in de richting van iets ook vanuit het denken mogelijk zijn. Voorbeelden:

Ich glaube an dich. [ɪç glaubə an dɪç] (Dit is een beweging van het geloof naar iemand toe.)

Sie denkt ständig an ihn. [zi: deŋkt ʃthɛndɪç an i:n] (Dit is een beweging van de gedachten naar iemand toe.)

Ich erinnere mich an die Olympischen Spiele. [ɪç ɛɐɪnərə mɪç an di: olympɪʃn ʃphi:lə] (Dit is een beweging van de gedachten naar iets toe.)

Uitspraak: Het voorvoegsel er van werkwoorden wordt steeds duidelijk gescheiden uitgesproken van het werkwoord zelf. Er is aldus een zeer korte pauze tussen de uitspraak van het voorvoegsel en het werkwoord.

In deze laatste gedachtenbewegingen vervangt men soms dit voorzetsel met accusatief door een gewone datief zonder voorzetsel. Dit is vaak het geval met het eerste voorbeeld: Ich glaube an dich [ɪç glaubə an dɪç] mag evenzeer zijn: Ich glaube dir [ɪç glaubə di:ɐ]. Men past dit niet toe op de werkwoorden denken, sich erinnern [dɛŋkn, zɪç ɛɐɪnərn]. In dit verband is het wellicht nuttig om te weten, dat de meeste werkwoorden met een datief (zoals danken, helfen) ergens ontstaan zijn uit een oude constructie van het werkwoord met het voorzetsel an met accusatief. Zo verstaat men "Ich danke dir" als "Ich biete meinen Dank an dich an". Zo verstaat men "Ich helfe dir" als "Ich biete meine Hilfe an dich an". Eveneens wordt het werkwoord dienen door een datief gevolgd; "Ich diene dir" als "Ich biete meine Dienste an dich an". Eveneens wordt het werkwoord folgen door een datief gevolgd; "Ich folge dir" als "Ich biete meine Folgsamkeit an dich an".

 

Bekijk ook volgende gevallen in fucntie van beweging in een richting of niet:

Der Brief ist an Sie gerichtet. [de:ɐ bri:f ɪst an zi: gərɪçthət] (Dit is een beweging van de brief naar iemand toe.)

Ich habe eine Bitte an Sie. [ɪç ha:bə ainə bɪthə an zi:] (Dit is een beweging van de smeekbede naar iemand toe.)

 

Het voorzetsel "an" wordt bij een plaatsaanduiding (ruimtegericht of tijdsgericht) (en waarbij een eventuele beweging op zich bijzaak is tegenover dat voorzetsel) steeds gevolgd door een datief. Voorbeelden:

Er steht an der Mauer. [e:ɐ ʃthe:t an de:ɐ mauɐ] (Dit is een plaatsaanduiding.)

Wir fuhren an ihm vorbei. [vɪɐ fu:rən an i:m forbai] (Dit is een plaatsaanduiding, waarbij de vraaggesteld werd: waar reden wij, niet waarheen)

Fahren Sie geradeaus, biegen Sie aber an der Kirche links ab! [fa:rən zi: gəra:dəaus bi:gn zi: a:bɐ an de:ɐ khɪrçə liŋks ap] (De kerk wordt hier vemeld als een plaatsaanduiding, waarbij de vraag gesteld wordt: waar buigt u best links af ? De vraag waarheen u rijdt, is hier niet gesteld.)

Sie sitzt am PC. [zi: zɪtst am pe:tse:] (Dit is een plaatsaanduiding.)

Sie setzt sich an den PC. [zi: zɛtst zɪ:ç an de:n pe:tse:] (Dit is een beweging in de richting van de computer.)

Sie wischt die Hände an ihrer Schürze. [zi: vɪʃt di: hɛndə an i:rɐ ʃyrtsə] (Hier drukt men uit waar zij haar handen zuivert. Het verplaatsen van haar handen naar de schort toe, is hierbij reeds gebeurt, en wordt in deze zin niet behandeld..)

Die Blumen stehen an der Fensterbank. [di: blu:mən ʃthe:ən an de:ɐ fɛnʃthɐbank] (Dit is een plaatsbepaling. Tegelijk is dit een voorbeeld van het voorzetsel "an" voor het Nederlandstalige 'op'. Lees onderaan deze stap voor een belangrijk onderscheid tussen "an" en "auf" )

Sie ist an dem gefährlichen Krebs erkrankt. [zi; ɪst an de:m gəfɛ:ɐlɪçm kre:ps ɛɐkraŋkt] (Dit is een plaatsbepaling. Hier is geen beweging van de gezondhheid naar kanker toe bedoeld; de patiënt heeft immers reeds kanker vooraleer deze zin uitgesproken wordt.)

Sie riskiert an den Krebs erkrankt zu werden. [zi; rɪskhi:rt an de:n kreps ɛ:ɐkraŋ:t tsu: ve:ɐdn] (Hier wordt het risico tot kanker aangegeven, een beweging van de gezondheid naar kanker toe.)

 

Bij sommige werkwoorden met voorvoegsel "an" dient men verder te denken dan zijn neus lang is, om de juiste naamval te gebruiken als er nog een voorzetsel "an" aan de zin toegevoegd wordt. Voorbeelden:

Er möchte die Lampe an die Wand anbringen. [e:ɐ mœçthə di: lampə an di: vant anbrɪŋn] (Hier is een beweging naar de wand toe bedoeld.)

Er brachte die Lampe an dieser Wand an, nicht an jener. [e:ɐ braxthə di: lampə an di:zɐ want an nɪçt an je:nɐ] (Hier is met de aangifte van een tweede mogelijke plaats een plaatsaanduiding bedoeld met de vraag: waar, niet waarheen?)

Sie klammerte sich an ihren Mann an. [zi: klamərthə ziç an i:rən man an] (Hier is een beweging van de vrouw naar haar echgenoot toe bedoeld.)

Sie klebt die Ansichtskarte an den Gefrierschrank an. [zi: kle:pt die anzɪçtskharte an de:n gəfri:ɐʃraŋk an] (Hier is een beweging in de richting van bedoeld.)

Er baut eine Veranda an sein Haus an. [e:ɐ baut aine veranda an zain haus an] (Ook hier is een beweging in de richting van bedoeld.)

Das Grundstück grenzt an seinem Garten an. [das gruntʃthyk grɛntst an zainəm garthn an] (Hier gaat het om een plaatsaanduiding met de vraag: waar? Het grondstuk beweegt immers helemaal niet.)

 

Er zijn een aantal vaste uitdrukkingen waarbij het voorzetsel "an" gebruikt wordt. Voorbeelden:

Ein PC an sich ist ein gutes Zeug. [ain pe:tse: an zɪç ist ain gthəs tsoik] (De uitdrukking "an sich" komt overeen met de Nederlandse uitdrukking 'op zich', waarbij de datief van het reflexieve voornaamwoord "sich" gebruikt wordt, gezien het hier een plaatsaanduiding betreft waarbij zelfs geen enkele beweging voorkomt. (Voor de verbuiging van "sich": zie reflexieve voornaamwoorden.)

Wir gehen an die Luft. [vi:ɐ ge:ən an di: luft] (Dit betekent: naar buiten gaan. Hier is overduidelijk een beweging ergens heen bedoeld.)

Es ist an dem:... [ɛs ɪst an de:m] (Dit betekent: Het is zo te verstaan: ... Het zit zo in elkaar: ...)

 

Het voorzetsel "an" wordt vaak gebruikt om tijdsaanduidingen weer te geven. Daarbij bedoelt men altijd een tijdstip, een plaatsaanduiding in de tijd, geen beweging naar dat tijdstip toe. De datief is hier dan ook aan de orde. Voorbeelden:

Ich komme am Abend. [ɪç khomə am a:bɛnt]

Am Sonntag ruhen wir. [an zonta:k ru:ən vi:ɐ]

Am Weihnachten bescheren wir einander. [an vainaxthn beʃe:rən vi:ɐ ainandɐ] ("bescheren" betekent 'geschenken geven')

 

An en auf

Het voorzetsel "an" gebruikt men in het Duits om een plaats weer te geven binnen een zekere ruimte, in een relatie tot een zekere ruimte, daar waar een Nederlandstalige het voorzetsel 'op' gebruikt. Voor een Duitstalige geldt het voorzetsel "auf " voor alle gevallen waarbij men bedoelt om iets 'bovenop' iets anders te plaatsen. Voorbeelden:

"De bloemen staan op de vensterbank" wordt: "Die Blumen stehen an der Fensterbank." [di: blu:mən ʃthe:ən an de:ɐ fɛnʃthɐbank] gezien het hier gaat om een plaats in relatie tot een ruimte, veel eerder dan een plaats bovenop de vensterbank.

"Hij wacht reeds op de deurdrempel" wordt: "Er wartet schon an der Schwelle." [e:ɐ varthət ʃo:n an de:ɐ ʃvɛlə] gezien het hier gaat om een plaats in relatie tot een ruimte, veel eerder dan een plaats bovenop de deurdrempel.

"Bij het dwijlen zet zij de stoelen steeds op de tafel" wordt: "Beim Wischen setzt sie die Stühle immer auf den Tisch." [baim vɪʃn zɛtst zi: di: ʃthy:lə ɪmɐ auf de:n thɪʃ] gezien het hier gaat om een plaats bovenop iets.

"Schik alle boeken op deze boekenplank, niet op die daar!" wordt: "Ordne alle Bücher an diesem Regal, nicht an jenem dort." [ortnə alə by:çɐ an di:zm rega:l nɪçt an je:nəm dort] gezien het hier gaat om een plaats in relatie tot een ruimte, veel eerder dan om een plaats bovenop een boekenplank.

"Hij zet zich op een stoel" wordt "Er setzt sich auf einen Stuhl." [e:ɐ zɛtst zɪç auf ainən ʃthu:l] gezien het hier gaat om een plaats bovenop iets.

 

In stap 22 benaderen we het voorzetsel "auf".

 
Lijst van alle stappen



 

Verantwoordelijkheid: Sebastian Norbert Hope, Niedersachsen, Deutschland (zie contact).