U bevindt zich hier: Lijst stappen Stap 2  

STAP 2

Hoofdaccent: nominatief & accusatief

Indien u nog geen Duits spreekt of nog niet redelijk foutloos kan schrijven, is het aangewezen te starten met de inleidende algemene informatie en de eerste stap.

In de eerste stap gingen we van volgende situatie uit: veronderstel dat een van uw buren een bakker is, die bekend staat voor zijn angst voor ziektes. Om de haverklap belt hij zijn dokter op. Op zekere dag leunt u uit het venster en ziet u hem in zijn woonkamer alweer de dokter opbellen. Meewarig schudt u het hoofd naar uw partner en zegt:

"Pfui, der Bäcker ruft schon wieder den Arzt an"
[pfui de:ɐ bɛkhɐ ru:ft ʃo:n vi:dɐ de:n a:ɐtst an]

Voorafgaand: Telkens een nieuw begrip uit de spraakkunst voorkomt in deze cursus Duits, zal het bij het eerste voorkomen ervan verklaard worden ten dienste van hen die reeds decennia lang de schoolbanken verlaten hebben.

In deze stap duiken we in de mysteries van de Duitse naamvallen. Men beweert wel eens dat een Duitser zijn naamvallen zelf niet toepast in de gesproken taal. Dat is echter helemaal niet zo. Na deze stap zal dat wel klaar en duidelijk blijken...

Het geslacht van een substantief

Men heeft lang geleden, toen de aarde nog groen was, een naam gegeven aan alles wat men kon waarnemen, met ander woorden aan alle voorwerpen die zouden bestaan en zelfs aan dingen die noch een levend wezen noch een voorwerp zijn zoals gedachten, gevoelens en zo meer. Wil men dan ook een geschreven woord dat die naam weergeeft, dan spreekt men van een "naamwoord". Elk levend wezen en elk voorwerp en elk niet-materieel begrip (gedachten, gevoelens) kan op zichzelf bestaan. Een naamwoord voor al die 'dingen' noemen we dan ook een "zelfstandig naamwoord". Nu gebruikt men vaak een vervangend woord voor "zelfstandig naamwoord", namelijk een "substantief".

SPRAAKKUNST

substantief:   is de naam die gegeven wordt aan een object (bv.: mens, voorwerp) of een niet materieel iets (bv.: gevoelens). Men noemt dit ook een zelfstandig naamwoord.

onderwerp:   veelal de persoon of voorwerp die/dat iets doet in de zin, of waarvan een eigenschap vermeld wordt.

lijdend voorwerp:   de persoon of het voorwerp waarop de handeling in de zin uitgevoerd wordt.

lidwoord:   een woord dat aan een persoon of een voorwerp voorafgaat en er "lid" van geworden is.

naamval:    de verandering in een woord (verbuiging) die bepaalt welke woordsoort (bv.: onderwerp, lijdend voorwerp) het woord in de zin is. Belangrijk in het Duits!

verbuigen:    is het aanpassen van het woord aan de noodzakelijke naamval. Een tussenwerpsel of een bijwoord worden nooit verbogen.

nominatief:    is de naamval die bepaalt welke persoon of welk voorwerp het "onderwerp" van de zin is.

accusatief:    is de naamval die bepaalt - onder andere - welke persoon of welk voorwerp het "lijdend voorwerp" van de zin is.

Haast elk levend wezen op aarde heeft een geslacht: ofwel het (zogezegde) stoere mannelijke geslacht, ofwel het (meestal) lieflijke vrouwelijke geslacht. Er zijn zelfs wezens die helemaal geen geslachtelijke kenmerken hebben. Die noemen we onzijdig. Wil u over die wezens iets zeggen of schrijven, dan is het van belang hun geslacht te kennen. Anders zou u wel eens 'rare' dingen kunnen zeggen. Ook voor alle voorwerpen en zelfs voor niet materiële begrippen zoals gedachten en gevoelens heeft men een geslacht gezocht of heeft men ze onzijdig verklaard. Dat wil dan ook zeggen: elk substantief heeft een geslacht.

In het Duits is dat geslacht van groot, zeer groot belang, veel meer dan in het Nederlands. Het waarom daarvoor wordt verderop in deze stap duidelijk...

Hoe kan u weten welk geslacht een substantief heeft in het Duits? U zou zich kunnen baseren op het geslacht ervan in het Nederlands, maar dat is gevaarlijk. Enkele voorbeelden ter verduidelijking (meteen leren we weer enkele Duitse woorden). Vooraf echter: we gebruiken de afkorting "m" voor mannelijk, "v" voor vrouwelijk en "o" voor onzijdig.

"Landschaft" [lantʃaft]: v (Ndl. landschap: o)

"Konservatismus" [khonzervathɪsmus]: m (Ndl. conservatisme: o)

Uitspraaktip: een beklemtoonde "i" (in sommige gevallen ook een onbeklemtoonde) spreekt men uit zonder gespreide lippen en in de mondholte in plaats van vooraan de mondholte, als een tussenvorm tussen de Nederlandse korte "i" en een doffe "e", iets meer neigend naar de eerste. Dat vraagt oefening. De uitspraakweergave ervan is "ɪ")

De verschillen in geslachten tussen het Nederlandse substantief en hetzelfde Duitse substantief danken we aan de monniken uit lang verleden tijden. Zij hebben veelal de geslachten vastgelegd. Een waar monnikenwerk. Maar Duitse monniken zijn geen Belgische of Nederlandse. Vandaar dat er aanzienlijke verschillen kunnen zijn tussen beide talen wat de toekenning van een geslacht betreft. Nu zijn er een aantal regels waarmee het u gemakkelijker gemaakt wordt. Regelmatig zullen we dergelijke regels tegenkomen in de opeenvolgende stappen. Gelieve ondertussen geduld te hebben en te vertrouwen op uw ervaring in de loop van de tijd...

Hier zijn reeds enkele regels voor het bepalen van het geslacht van een substantief:

Vrouwelijk: alle Duitse substantieven die eindigen op "- schaft "of "- ung" of "- heit" of "- keit".
Mannelijk: alle Duitse substantieven die eindigen op "- ismus".
Onzijdig: alle Duitse substantieven die eindigen op "- chen" of "- lein".

Uitspraaktip: Twee nieuwe uitspraakvormen: een geschreven "ei" spreekt men uit als een "ai". En een geschreven "ng" wordt net zoals in het Nederlands uitgesproken. De uitspraakweergave van "ng" is "ŋ", niet te verwarren met een "n".

Dadelijk zullen we een oefening tegenkomen, waar u de geslachten van woorden kan leren.
 

Naamvallen

In een zin die u wil uitspreken of schrijven, 'vallen' heel wat substantieven erin. Er vallen met andere woorden vele naamwoorden in een zin. Ziet u het al? Al naargelang welke functie die 'gevallen naamwoorden' hebben in de gesproken of geschreven zin, hebben ze dan ook een... "naamval".

Nominatief

In elke gesproken of geschreven zin gebeurt iets of wordt iets beschreven. Hij, zij of het iets, dat iets doet in die zin noemt men het "onderwerp". In onze voorbeeldzin bovenaan is de bakker het onderwerp. Wel... telkens heeft het onderwerp de naamval "nominatief". Die nominatief is haast uitsluitend voorbehouden voor het onderwerp van de zin. Dat maakt het al gemakkelijk om te weten, wanneer u die naamval moet gebruiken.

Nog iets dat we moeten weten vooraleer die nominatief te leren kennen: elk substantief kan voorafgegaan worden door een aanduidend woordje, bijvoorbeeld "de bakker". Dat woordje "de" is een lid, een begeleidend deel van het substantief (dat soms echter weggelaten wordt of vervangen wordt door andere woorden zoals "mijn", "zijn" –- daarop komen in latere stappen nog wel terug). We noemen dat woordje het "lidwoord". En nu komen we tot de 'miserie':

In het Duits is elke lidwoord aangepast aan het geslacht van het substantief. Het verandert daarbij. Het aanbrengen van die verandering in het lidwoord noemen we het "verbuigen". En... dat verbuigen is bovendien verschillend, afhankelijk van de naamval die nodig is.

Het lidwoord voor het Nederlandse "de" is in het Duits "der [de:ɐ]. In de nominatief wordt dit:

mannelijk: "der" [de:ɐ].

vrouwelijk: "die" [di:].

onzijdig: "das" [das].

De verbuiging van de nominatief gaan we al onmiddellijk inoefenen. Zoek voor elk Duits woord achter een vakje in de onderstaande oefening de betekenis op in het Nederlands, indien die niet zou blijken uit het Duitse woord. Probeer tevens het Duitse woord juist uit te spreken. Probeer dan de nominatiefvorm van het lidwoord aan het geslacht van het substantief aan te passen. Ter voorbeeld is het eerste vakje reeds ingevuld. Het geslacht van elk opgegeven naamwoord in de oefening vindt u beslist in uw woordenboek.

Controle op de juistheid van uw verbuiging: gelieve daartoe het vakje, dat u ingevuld heeft, te verlaten door met de muis elders aan te klikken. Dan zal er automatisch een "(o.k.)" verschijnen indien het antwoord juist was, of een "(fout)" indien uw antwoord niet juist was. In dat laatste geval kan u opnieuw proberen. Veel succes!

  Bäcker  [bɛkhɐ]

  Arzt  [ a:ɐtst]

  Kindheit  [khɪntheit]

  Computer  [Engelse uitspraak]

  Formulierung  [formuli:ruŋ]

  Rassismus  [rasɪsmus]

  Tag  [tha:k]

  Uhr  [u:ɐ]

  Jahr  [ja:ɐ]

  DVD  [de:faude:]

  CD  [tse:de:]

  Radio  [ra:dio:]

  Fernseher  [fɛrnze:ɐ]

  Fräulein  [froilain]

  Botschaft  [bo:tʃaft]

  Tisch  [thɪʃ]

Uitspraaktip: Een "v" wordt in het Duits veelal als een "f" uitgesproken. Daar komen we in volgende stappen nog op terug. Als u deze letter vanuit de opsomming in het alfabet wil opnoemen (zoals in het woord DVD) dan zegt men "fau". En de tweeklank met umlaut "äu" zoals in het woord Fräulein wordt uitgesproken als een "oi"

Nog even ter herhaling: de nominatief wordt haast uitsluitend voor het onderwerp van de zin gebruikt.
 

Accusatief

In de voorbeeldzin helemaal bovenaan wordt nog een tweede naamval gebruikt.

We kennen reeds het "onderwerp" van een zin. Dit voert meestal een handeling uit. In bijvoorbeeld "De secretaresse start de computer op" voert de secretaresse een handeling uit op de computer. Die laatste 'ondergaat' de handeling. We zeggen (ergens schertsend of meewarig), dat het woord "computer" in de gegeven zin gevallen is als een "lijdend voorwerp".

In de voorbeeldzin bovenaan belt de bakker de dokter op. Die laatste, Arzt [ a:ɐtst], is dan ook als het lijdend voorwerp in de zin 'gevallen' en krijgt daardoor een aangepaste "naamval", de "accusatief".

De accusatief wordt aldus steeds gebruikt voor het lijdend voorwerp. Dat is alweer makkelijk meegenomen, niet? Nu is het wel zo, dat de accusatief ook gebruikt wordt in een aantal andere gevallen (bijvoorbeeld na sommige voorzetsels – dat zien we later wel).

Net zoals de nominatief voor het onderwerp wordt de accusatief verbogen (aangepast) aan het geslacht van het substantief. Dat heeft zijn weerslag op het lidwoord ervan, soms ook op het substantief zelf (dat laatste zien we later wel). Die verbuiging ziet er als volgt uit:

mannelijk: "den" [de:n].

vrouwelijk: "die" [di:].

onzijdig: "das" [das].

Uitspraaktip: Spreek de "e" van den [de:n] lang uit, met een "e" zoals in het Nederlandse woord "het weer".

Valt het u al op? In de accusatief verandert ten opzichte van de nominatief het lidwoord enkel bij mannelijke substantieven, nooit bij vrouwelijke of onzijdige. Het is dan ook altijd goed uitkijken, dat u de nominatief en accusatief bij mannelijke voorwerpen correct toepast in uw gesproken (en uiteraard ook geschreven) zinnen. Doet u dat niet, dan ontstaat hopeloze verwarring: wie doet dan immers wat?

De Duitse accusatief biedt u in bepaalde omstandigheden voordelen die u in het Nederlands niet heeft. Veronderstel even dat u bij het uitspreken van de voorbeeldzin helemaal bovenaan extra wil beklemtonen dat die bakker zijn dokter opbelt, en niemand anders opbelt. Dat zou u in het Nederlands kunnen doen door een extra zwaar accent te leggen op "dokter". In het Duits zou u slechts een licht accent moet leggen, want de naamval bepaalt hier wie opgebeld wordt. Bij extra accent kan men zelfs dat lijdend voorwerp vooraan in de zin plaatsten. Kijk maar:

"Pfui, den Arzt ruft der Bäcker schon wieder an"
[pfui de:n a:ɐtst ru:ft de:ɐ bɛkhɐ ʃo:n vi:dɐ an]

Jammer genoeg kan men deze benadrukking van het lijdend voorwerp door vooraanstelling niet doorvoeren met vrouwelijke of onzijdige substantieven, gezien hun verbuiging hetzelfde is voor het onderwerp als het lijdende voorwerp. (Het lijdend voorwerp zet men enkel voor mannelijke substantieven vooraan in een zin, en enkel als het speciaal beklemtoond wordt, anders niet.) Tegelijk zal het u misschien duidelijker zijn, dat een Duitser zijn naamvallen wel degelijk toepast, in tegenstelling wat soms beweerd wordt.

In stap 3 bestuderen we het woord, dat de hele zin doet 'werken': het "werkwoord" "anrufen"[anru:fn].




 
Lijst van alle stappen



 

Verantwoordelijkheid: Sebastian Norbert Hope, Niedersachsen, Deutschland (zie contact).