U bevindt zich hier: Lijst stappen Stap 19  

STAP 19

Hoofdaccent: deelwoorden en hulpwerkwoorden

Indien u nog geen Duits spreekt of nog niet redelijk foutloos kan schrijven, is het aangewezen te starten met de inleidende algemene informatie en de eerste stap.

"Ich bin den ganzen Tag gewandert."
[ɪç bɪn de:n gantsn tha:k gəvandərt]

In de vorige stappen hebben wij adjectieven en voornaamwoorden leren verbuigen. Daarbij werd haast steeds gezwegen over de mogelijkheid om adjectieven te gebruiken als substantieven. Zeer vele adjectieven gebruiken wij immers als dusdanig in elke taal. Bijvoorbeeld "De zieke herstelt zich" of "De herstellenden doen het goed" of "De gediplomeerden glorieerden". Deze gesubstantiveerde adjectieven worden in de volgende stap doorgenomen. In deze stap bekijken we de talloze adjectieven die gevormd worden door 'deelwoorden', zo bijvoorbeeld "belanghebbend, gediplomeerd'.

SPRAAKKUNST

substantief:   is de naam die gegeven wordt aan een object (bv.: mens, voorwerp) of een niet materieel iets (bv.: gevoelens). Men noemt dit ook een zelfstandig naamwoord.

onderwerp:   veelal de persoon of voorwerp die/dat iets doet in de zin, of waarvan een eigenschap vermeld wordt. Staat in de naamval nominatief.

lijdend voorwerp:   de persoon of het voorwerp waarop de handeling in de zin uitgevoerd wordt. Staat in de naamval accusatief.

meewerkend voorwerp:   de persoon of het voorwerp die met het werkwoord meewerkt. Staat veelal in de datief of anders gekoppeld aan een voorzetsel.

voorzetsel:   een woord dat een bepaalde betrekking weergeeft tussen twee substantieven, of tussen een werkwoord en een substantief.

lidwoord:   een woord dat aan een persoon of een voorwerp voorafgaat en er "lid" van geworden is.

adjectief:   is een woord dat een substantief karakteriseert, er een eigenschap van weergeeft. Het staat bij een substantief. Men noemt het ook een bijvoeglijk naamwoord.

predicatief:   is een adjectief dat een gelijkstelling weergeeft en gekoppeld is aan de werkwoorden "sein, werden, bleiben". Het wordt nooit verbogen.

naamval:    de verandering in een woord (verbuiging) die bepaalt welke woordsoort (bv.: onderwerp, lijdend voorwerp) het woord in de zin is. Belangrijk in het Duits!

verbuigen:    is het aanpassen van het woord aan de noodzakelijke naamval. Een tussenwerpsel of een bijwoord worden nooit verbogen.

nominatief:    is de naamval die bepaalt welke persoon of welk voorwerp het "onderwerp" van de zin is.

genitief:    is de naamval die het bezit van of de afhankelijkheid tegenover een betrokken substantief uitdrukt. Deze naamval wordt ook gebruikt na heel wat voorzetsels.

datief:    is de naamval die bepaalt welke persoon of welk voorwerp het "meewerkend voorwerp" van de zin is, of die verbonden is aan een bepaald voorzetsel.

accusatief:    is de naamval die bepaalt - onder andere - welke persoon of welk voorwerp het "lijdend voorwerp" van de zin is.

voornaamwoord:    woord dat een persoon aanduidt zonder hem of haar expliciet te noemen. "Hem" en "haar", "ik", "jij", "hij", "zij" en zo meer zijn bijvoorbeeld voornaamwoorden.

bijwoord:    is een woord dat een adjectief of een werkwoord nader kan bepalen. Het wordt nooit verbogen en kan uit de zin weggelaten worden, zonder dat de zinsconstructie in gevaar komt.

werkwoord:    is een woord dat de actie of de werking van de zin uitvoert.

vervoegen:    is het aanpassen van een werkwoord aan de persoon, aan de hoeveelheid personen, aan de tijd en aan meer.

deelwoord (Partizip):    is het woord dat deelt in de eigenschappen van meerdere woordsoorten, zoals werkwoorden, adjectieven en substantieven.

Deelwoorden (Partizip)

Het woord 'herstellend' deelt haar bestaan met de werkwoorden (werkwoord 'herstellen') en tegelijk met adjectieven (adjectief 'herstellend') en met substantieven (substantief 'de herstellende'). Dergelijk woord 'deelt' aldus meerderen woordsoorten, of anders gezegd, het participeert met meerdere woordsoorten. Het wordt dan ook een 'deelwoord' genoemd, of in het Duits "Partizip" (van participeren).

Er zijn twee soorten deelwoorden of Partizips:

Een aantal deelwoorden geeft een nog niet voleinde actie weer, of anders gezegd: geeft een onvoltooide actie weer. Wij noemen deze deelwoorden de "onvoltooide deelwoorden" of in het Duits "Partizip I". Dit zijn alle deelwoorden die eindigen op "-end", zowel in het Nederlands als in het Duits. Voorbeelden uit het Nederlands: "lopend, lachend, dansend, springend".

Een ander aantal deelwoorden geeft een wel voleinde actie weer, of anders gezegd, geeft een voltooide actie weer. Wij noemen die deelwoorden de "voltooide deelwoorden" of in het Duits "Partizip II". Dit zijn alle deelwoorden die in het Nederlands gevormd worden door aan de stam van het werkwoord een uitgang "-t" of "-d" toe te voegen, en heel vaak het voorvoegsel "ge-" vooraf te doen gaan. Voorbeelden uit het Nederlands: "gediplomeerd, hersteld, gekookt, gesprongen, doorlopen".

 

PARTIZIP I (onvoltooid deelwoord)

In het Duits wordt de Partizip I net hetzelfde gevormd als in het Nederlands, namelijk "stam van het werkwoord" + "-end", behalve wanneer een Duits werkwoord eindigt op "-eln" of op "-ern". In die laatste gevallen wordt aan de werkwoordstam de uitgang "-nd" toegevoegd. Eigenlijk kan u het ook veel eenvoudiger zien: zet een uitgang "-d" achter de infinitief van het werkwoord. Twee voorbeelden van Partizip I:

gehen [ge:ən] : gehend [ge:ənt]

lächeln [lɛçln] : lächelnd [lɛçlnt]

 

Vul nu zelf de Partizip I in van volgende werkwoorden:

Indien een umlaut of een "ß" nodig is, dan kan u bij het invullen van de nodige woorden deze umlaut vervangen door een "e" te laten volgen op de klinker. Tevens kan u de "ß" vervangen dooor "ss". Bijvoorbeelden:

"ä" en "ae"
"ä" en "Ae"
"ü" en "ue"
"ü" en "Ue"
"ö" en "oe"
"ö" en "Oe"
"äu" en "aeu"
"äu" en "Aeu"
"ß" en "ss".
Dit is interessant indien u geen Duits toetsenbord gebruikt, wat aan te nemen valt.


De in te vullen vakjes werken als volgt:

De functionaliteit van het voorbeeld hier is uitgeschakeld.
Gelieve aan de hand van het voorbeeld de werking uit te testen in de oefening zelf.
 
Te verwerken tekstvakjes:
 

Verwijder het vraagteken en de haakjes er rond en pas het gegeven aan.
Klik dan met de muis ergens buiten het tekstvakje.
 
 
Onmiddellijk zal aangegeven worden of het resultaat goed (o.k) of fout is:
 

 

 
Indien het resultaat fout is, kan u ofwel corrigeren door opnieuw in het tekstvakje te klikken en aan te passen, ofwel hulp inroepen.

Oefening:

 

PARTIZIP II (voltooid deelwoord)

Het voltooid deelwoord maakt vaak deel uit van de vervoeging van een werkwoord in de 'voltooide tijden' zoals de voltooid tegenwoordige tijd: "Ik heb gezwommen", "Hij is begonnen" of zoals de voltooid verleden tijd: "Ik had gezwommen", "Hij was begonnen".

Bij de zwakke werkwoorden in het Nederlands wordt het voltooid deelwoord soms gevormd met de uitgang "-d" ("gevormd") en soms met de uitgang "-t" ("gekookt"). Dat onderscheid bestaat niet in het Duits, waar steeds de uitgang "-t" gehanteerd wordt. Dat maakt het al een beetje eenvoudig... Voor het overige is de vorming van de Partizip II in het Duits haast (dus...niet helemaal!) volledig gelijk aan de vorming van het voltooid deelwoord in het Nederlands.

Lees heel aandachtig de opbouw van het Duitse voltooid deelwoord. Neem er uw tijd voor om elke regel door te nemen.

Vallen u volgende verschillen met het Nederlands op?

1. Eindigt de stam van het Duitse werkwoord op een "d" of een "t", of op een "m" of een "n" die voorafgegaan wordt door een andere medeklinker (behalve door "l" en "r"), dan is de uitgang van het voltooid deelwoord "-et". Zo bijvoorbeeld is het Nederlandse voltooid deelwoord van "melden" het woord "gemeld". In het Duits wordt dit melden [mɛldn] : gemeldet [gəmɛldət].

2. De Partizip II van Duitse sterke werkwoorden heeft in regel de uitgang "-en", net zoals in het Nederlands. Maar bemerkt u in het Duits de soms totaal andere (vaak verrassende) klinker in deze Partizip II dan in het Nederlands? Raadpleeg de lijst der Duitse sterke werkwoorden. Enkele voorbeelden:

"gebarsten" wordt geborsten [gəborstn]

"gedrongen" wordt gedrungen [gədruŋən]

"gevonden" wordt gefunden [gəfundn]

"geleden" wordt gelitten [gəlɪtn]

Speciale afwijkingen tegenover het Nederlands zijn:

"gegaan" wordt gegangen [gəgaŋən]

"gestaan" wordt gestanden [gəʃthandn]

De Partizip II van het werkwoord heißen [haisn] is geheißen [gəhaisn] daar, waar haast alle Duitse sterke werkwoorden met een stamklinker -ei- de Partizip II vormen met de klinker -ie- of -i- (bijvoorbeeld: preisen [praizn] en gepriesen [gəpri:zn]).

3. In het Duits komen werkwoorden voor in wiens laatste lettergreep van de stam de klinkers -ie- of -au- de klemtoon van het woord hebben zoals in studieren [ʃthudi:rən]. Bij deze werkwoorden valt het voorvoegsel ge- bij de Partizip II steeds weg. Het Nederlandse "gestudeerd" wordt dan ook in het Duits studiert [ʃ:thudi:rt]. Heeft u reeds hetzelfde ontdekt voor het werkwoord werden [ve:ɐ:dn], dat als hulpwerkwoord de Partizip II worden [voɐdn] heeft?

 

Gebruik van hulpwerkwoorden "haben" en "sein"

Nu we de Partizip II kennen, kunnen we ons even verdiepen in de vervoegingen, namelijk in de voltooid tegenwoordige tijd (bv: "ik heb gedronken") en in de voltooid verleden tijd (ik had gedronken). Raadpleeg voor deze voltooide tijden volgende pagina's:

Voltooid tegenwoordige tijd

Voltooid verleden tijd.

Zoals u ziet, is er ogenschijnlijk geen verschil in de totstandbrenging van de vervoeging in die tijden tussen het Nederlands en het Duits. Maar er is wel een verschil in het gebruik van de hulpwerkwoorden "hebben" en "zijn". Bestudeer daartoe aandachtig de volgende pagina:

Keuze tussen de hulpwerkwoorden "haben" en "sein".

Opmerkelijke verschillen met het Nederlands zijn de volgende punten:

1. Bij de werkwoorden die intransitief zijn, dat zijn werkwoorden die nooit een lijdend voorwerp kunnen hebben, gebruikt men in het Duits (net zoals in het Nederlands) het hulpwerkwoord sein [zain] zoals in "Er ist eingetroffen" [e:ɐ ɪ:st aingətrofn] ("Eintreffen" betekent "aankomen"), maar... wanneer bij het gebeuren van een intransitief gebruikt werkwoord niets gezegd wordt over het afsluiten van het gebeuren, dan gebruikt men het hulpwerkwoord haben [ha:bn]. Zegt het intransitief gebruikte werkwoord wel iets over het beëindigen, over het afsluiten van het gebeuren, dan gebruikt men steeds het hulpwerkwoord sein [zain]. Dat is meestal ook zo in het Nederlands. Bijvoorbeeld "Het huis heeft gebrand" zegt alleen iets over het verloop van het branden, niets over het einde ervan. Maar "Het huis is afgebrand" zegt iets over het einde, over het afsluiten ervan. In het Duits gaat men zeer ver in deze redenering:

In het huidige Nederlands zegt men "Ik ben begonnen". Het werkwoord "beginnen" zegt echter niets over het afsluiten van dat beginproces, behandelt enkel maar het verloop van het beginnen. In het Duits wordt dit dan ook "Ich habe begonnen" [ɪç ha:bə bəg:onən].

In het Nederlands zegt men "Wij zijn gisteren gehuwd". Het werkwoord "huwen" behandelt het gebeuren van het huwelijk, maar zegt niets over het afsluiten van die gebeurtenis, niets over het in de huwelijksband getreden te zijn, maar alleen iets over het verloop van de actie 'huwen'. In het Duits wordt dit dan ook: "Wir haben gestern geheiratet" [vɪɐ ha:bn gɛsthərn gəhaira:thət].

Een voorbeeld van gebeuren waarbij het afsluiten wel bekend wordt gemaakt: "Sie war gestern erkrankt" [zi: va:ɐ gɛsthərn ɛ:ɐkraŋkt ]. Het werkwoord "erkranken" [ɛ:ɐkraŋkhn] betekent "een ziekte tot stand brengen". Zodra men ziek is, is de ziekte aldus tot stand gebracht. Het werkwoord zegt iets over het afsluiten van de gebeurtenis. Ter verduidelijking: het werkwoord "kränkeln" [krɛŋkhln] betekent "ziek zijn, een periode van ziekte beleven". Daarbij wordt niets gezegd over het afsluiten ervan. In dit geval wordt het dan ook "Sie hat gestern gekränkelt" [zi: hat gɛsthərn gəkrɛŋkhəlt ].

Ja, hierbij dient u als Nederlandstalige steeds goed na te denken of een intransitief gebruikt werkwoord iets zegt over het einde van de gebeurtenis.

2. In het Duits worden tegenwoordig alle bewegingswerkwoorden in de voltooide tijden gevormd met het hulpwerkwoord "sein" [zain]. In vele grammatica wordt bij Duitse bewegingswerkwoorden nog de mogelijkheid van het hulpwerkwoord "haben" aangehaald. Dat is echter achterhaald. Zo zien we maar, hoe een actief gesproken taal leeft! Voorbeelden:

"Ik heb de hele dag gewandeld" wordt "Ich bin den ganzen Tag gewandert" [ɪç bɪn de:n gantsn tha:k gəvandərt].

"Ik heb de 100 m gelopen" wordt "Ich bin die 100 M gelaufen" [ɪç bɪn di: hundərt me:tɐ gəlaufn].

"Hij heeft 24 uren gereden" wordt "Er ist 24 Stunden gefahren" [e:ɐ ɪst fi:ɐunt-tsvantsɪç ʃthundn gəfa:rən]. Hierbij kan toch het hulpwerkwoord "haben" [ha:bn] gebruikt worden, indien – en enkel indien – dit werkwoord transitief (transitief betekent: met lijdend voorwerp) wordt gebruikt. Een voorbeeld maakt dit duidelijk: "Zij heeft haar auto naar de garage gereden". Daarbij is een lijdend voorwerp ontstaan, namelijk "haar auto". In dat geval wordt het dan ook: "Sie hat ihr Auto in die Werkstatt gefahren" [zi; hat i:ɐ autho: ɪn di: vɛɐkʃthat gəfa:rən]. (Maak u hierbij nog geen zorgen om het gebruik van het voorzetsel "in" [ɪn] met in dat geval de accusatief voor het Nederlandse voorzetsel "naar". Voorzetsels behandelen we in latere stappen.)

 

Tot slot een oefening waarbij u het geleerde over alle mogelijke voltooide deelwoorden kan toepassen in vertalingen:

Hé! Wie heeft daar de 50 m gezwommen?

Nu ja, hij heeft daar inderdaad gestaan.

Zijn chef had hem bevolen te komen. (Gebruik het werkwoord "heißen" voor "bevelen")

Het ijs is gebarsten.

Man! Dat mineraal is geweldig uitgekristalliseerd.

Verdomme! De miserie is alweer begonnen.

Zij had haar blog gisteren geactualiseerd.

 

In de volgende stap, stap 20, gebruiken we de deelwoorden als adjectieven. Daarbij leren we de verbuiging van gesubstantiveerde adjectieven.




 
Lijst van alle stappen



 

Verantwoordelijkheid: Sebastian Norbert Hope, Niedersachsen, Deutschland (zie contact).