U bevindt zich hier: Lijst stappen Stap 11  

STAP 11

Hoofdaccent: reflexieve voornaamwoorden

Indien u nog geen Duits spreekt of nog niet redelijk foutloos kan schrijven, is het aangewezen te starten met de inleidende algemene informatie en de eerste stap.

"Ich traue mich nicht ihn anzusprechen."
[ɪç trauə: mɪç nɪçt ɪ:n antsu:ʃprɛçn]

In deze stap leren we het reflexieve voornaamwoord gebruiken en het onderscheid tussen het Nederlandse woord "durfen" en het Duitse modale hulpwerkwoord dürfen [dyrfn], maar eerst volgen twee oefening op de kennis van de verleden en toekomende tijd van werkwoorden uit stap 10.

SPRAAKKUNST

substantief:   is de naam die gegeven wordt aan een object (bv.: mens, voorwerp) of een niet materieel iets (bv.: gevoelens). Men noemt dit ook een zelfstandig naamwoord.

onderwerp:   veelal de persoon of voorwerp die/dat iets doet in de zin, of waarvan een eigenschap vermeld wordt. Staat in de naamval nominatief.

lijdend voorwerp:   de persoon of het voorwerp waarop de handeling in de zin uitgevoerd wordt. Staat in de naamval accusatief.

meewerkend voorwerp:   de persoon of het voorwerp die met het werkwoord meewerkt. Staat veelal in de datief of anders gekoppeld aan een voorzetsel.

voorzetsel:   een woord dat een bepaalde betrekking weergeeft tussen twee substantieven, of tussen een werkwoord en een substantief.

lidwoord:   een woord dat aan een persoon of een voorwerp voorafgaat en er "lid" van geworden is.

naamval:    de verandering in een woord (verbuiging) die bepaalt welke woordsoort (bv.: onderwerp, lijdend voorwerp) het woord in de zin is. Belangrijk in het Duits!

verbuigen:    is het aanpassen van het woord aan de noodzakelijke naamval. Een tussenwerpsel of een bijwoord worden nooit verbogen.

nominatief:    is de naamval die bepaalt welke persoon of welk voorwerp het "onderwerp" van de zin is.

accusatief:    is de naamval die bepaalt - onder andere - welke persoon of welk voorwerp het "lijdend voorwerp" van de zin is.

datief:    is de naamval die bepaalt welke persoon of welk voorwerp het "meewerkend voorwerp" van de zin is, of die verbonden is aan een bepaald voorzetsel.

voornaamwoord:    woord dat een persoon aanduidt zonder hem of haar expliciet te noemen. "Hem" en "haar", "ik", "jij", "hij", "zij" en zo meer zijn bijvoorbeeld voornaamwoorden.

Hoe de oefeningen uitvoeren?

 

Indien een umlaut of een "ß" nodig is, dan kan u bij het invullen van de nodige woorden deze umlaut vervangen door een "e" te laten volgen op de klinker. Tevens kan u de "ß" vervangen dooor "ss". Bijvoorbeelden:

"ä" en "ae"
"ä" en "Ae"
"ü" en "ue"
"ü" en "Ue"
"ö" en "oe"
"ö" en "Oe"
"äu" en "aeu"
"äu" en "Aeu"
"ß" en "ss".
Dit is interessant indien u geen Duits toetsenbord gebruikt, wat aan te nemen valt.


De in te vullen vakjes werken als volgt:

De functionaliteit van het voorbeeld hier is uitgeschakeld.
Gelieve aan de hand van het voorbeeld de werking uit te testen in de oefening zelf.
 
Te verwerken tekstvakjes:
 

Verwijder het vraagteken en de haakjes er rond en pas het gegeven aan.
Klik dan met de muis ergens buiten het tekstvakje.
 
 
Onmiddellijk zal aangegeven worden of het resultaat goed (o.k) of fout is:
 

 

 
Indien het resultaat fout is, kan u ofwel corrigeren door opnieuw in het tekstvakje te klikken en aan te passen, ofwel hulp inroepen.

 

Hulpmiddelen

 

Volgend hulpmiddel staat ter beschikking:
 

 
Hulp brengt u naar een pagina uit de taalhulp voor gevorderden die meer informatie geeft over de verbuiging van het betrokken werkwoord. Dit symbool staat in de eerste oefening achter elk werkwoord. In de tweede oefening is geen hulp aangeboden, gezien u daar de toekomende tijd zal invullen die steeds gevormd wordt door de verbuiging van het hulpwerkwoord werden [ve:ɐdn] + werkwoord.

 

Oefening 1: verleden tijd

 

Der Mann das Kind.

Hier sich die Geister.

Meine Güte! Gestern sie eine Million Euro.

Ja, er uns die Grüße. [übermitteln [ybɐmɪthln] betekent meedelen, overbrengen]

Die Arznei mir gar nicht.

Gestern das Schiff. [sinken [zɪŋkhn] betekent zinken]

Sie die Stimme. [senken [zɛŋkhn] betekent laten zinken]

Ich immer ein Glas Wein. [trinken [trɪŋkhn] betekent drinken]

Der Bauer das Vieh. [tränken [trɛŋkhn] betekent laten drinken]

Er mich.

 

Oefening 2

 

Als tweede oefening kan u volgende zinnen in het Duits vertalen met gebruik van de toekomende tijd.

Indien een umlaut of een "ß" nodig is, dan kan u bij het invullen van de nodige woorden deze umlaut vervangen door een "e" te laten volgen op de klinker. Tevens kan u de "ß" vervangen dooor "ss". Bijvoorbeelden:

"ä" en "ae"
"ä" en "Ae"
"ü" en "ue"
"ü" en "Ue"
"ö" en "oe"
"ö" en "Oe"
"äu" en "aeu"
"äu" en "Aeu"
"ß" en "ss".
Dit is interessant indien u geen Duits toetsenbord gebruikt, wat aan te nemen valt.

Indien na een zin een (!) staat, wijst dit op een taaleigen uitdrukking.

 

Jij zal nog vallen.

Hoe zullen we dat oplossen?

Zij zal snel antwoorden.

Zullen jullie de deur open laten?

U zal in het examen wel slagen.(!)

 

Modale hulpwerkwoorden

 

Een modaal hulpwerkwoord is een werkwoord dat een recht, een verbod, een voorstel, een smeekbede, een verwachting, een toelating, een raad, een vermoeding, een mogelijkheid, een noodzakelijkheid weergeeft. Daartoe horen volgende Duitse modale hulpwerkwoorden: dürfen [dyrfn],können [khœnən],mögen [møgn],müssen [mysn],sollen [zolən] en ,wollen [volən]. Hun vervoeging is speciaal, zoals dit reeds aangegeven werd voor de tegenwoordige en de verleden tijd. Raadpleeg hun vervoeging nog eens. Het gebruik ervan is vaak zeer verschillend van het Nederlands en vraagt extra aandacht om u verstaanbaar te maken in het Duits. in stap 12 volgen de verschillende nuances die u in het Duits aan zinnen kan geven door het juiste gebruik van een modaal hulpwerkwoord. Eerst moeten we echter duidelijk het onderscheid maken tussen het Duitse dürfen [dɪrfn] en het Nederlandse "durven".

 

Duitse vertaling van het Nederlandse werkwoord "durven"

 

Het modaal hulpwerkwoord dürfen [dyrfn] heeft niets te maken met het Nederlandse woord "durven". Het Nederlandse "durven" wordt in het Duits vertaald door sich trauen [zɪç trauen], gevolgd door een bijzin. Voorbeeld: "Ich traue mich nicht ihn anzusprechen." [ɪç trauə: mɪç nɪçt ɪ:n antsu:ʃprɛçn]. Vaak wordt het Nederlandse "durven" ook uitgedrukt door "het zich in staat achten" en wordt dan in het Duits vertaald met het werkwoord sich zutrauen [zɪç tsu:trauen] waarbij deze sich [zɪç] steeds in de datief verbogen wordt. Voorbeeld: "Das wird er sich nicht zutrauen." [das vɪrt e:ɐ zɪç nɪçt tsu:trauen]. Hierbij is de verbuiging van het reflexieve voornaamwoord "zich" van belang:

 

Het reflexieve voornaamwoord

 

Voornaamwoorden zoals in het Nederlandse "zich buigen", "zich steunen" noemt men reflexieve voornaamwoorden. Dit zijn voornaamwoorden die de actie van het werkwoord op het onderwerp terug doet slaan. In het Duits worden deze voornaamwoorden bijzonder veel gebruikt. Voor elke persoon (eerste, tweede, derde persoon van een werkwoord) gebruikt men een verschillend reflexief voornaamwoord en het wordt vooral in de accusatief en in de datief verbogen (afhankelijk van het werkwoord). De verbuiging is als volgt:

ENKELVOUD 
  Eerste
persoon 
Tweede
persoon 
Derde
persoon 
Datief:  mir
[mi:ɐ
dir
[di:ɐ
sich
[zɪç
Accusatief:  mich
[zɪç
dich
[dɪç
sich
[zɪç

 

MEERVOUD 
  Eerste
persoon 
Tweede
persoon 
Derde
persoon 
Datief:  uns
[uns
euch
[oiç
sich
[zɪç
Accusatief:  uns
[uns
euch
[oiç
sich
[zɪç

 

Aandachtspunt: Bemerk dat in de derde persoon enkelvoud en in alle personen meervoud geen onderscheid gemaakt wordt tussen de datief en de accusatief. Misschien vraagt u zich af wat de nominatief van deze reflexieve voornaamwoorden is. Die vraag is echter zinloos, gezien deze voornaamwoorden de actie van het werkwoord doen terugslaan. Die voornaamwoorden gedragen zich immers steeds als een lijdend voorwerp of een meewerkend voorwerp in de zin. De tweede persoon vertrouwelijkheidsvorm drukt men steeds uit met de derde persoon meervoud, dus met sich [zɪç].

Laten we deze reflexieve voornaamwoorden inoefenen met de Duitse vertaling voor het Nederlandse "durven". Daarbij is het van belang dat u weet, dat het Duitse werkwoord sich trauen [zɪç trauen] steeds de accusatief van het reflexieve voornaamwoord gebruikt, terwijl het Duitse werkwoord sich zutrauen [zɪç tsu:trauen] steeds de datief ervoor gebruikt. Hoe komt dit verschil tot stand? Wel, bij sich trauen [zɪç trauen] gedraagt het refexieve voornaamwoord zich als een lijdend voorwerp, terwijl bij sich zutrauen [zɪç tsu:trauen] het reflexieve voornaamwoord een meewerkend voorwerp is (veroorzaakt door het voorzetsel zu [tsu] bij dit werkwoord.

 

Oefening

 

In deze oefening gebruiken we de twee mogelijkheden om het Nederlandse "durven" te vertalen. Vul het juiste reflexieve voornaamwoord in de juiste naamval in elk vakje.

Traust du das zu?

Ich traue nicht es ihm zu sagen.

Warum trauen Sie nicht, von der Mauer zu springen?

Ihr traut nicht zu, es zu tun.

Ich traue nicht zu, das Auto zu reparieren.

Wir trauen viel zu.

Die Leute trauen nicht zu demonstrieren.

 

Er zijn heel wat Duitse werkwoorden die een refexief voornaamwoord gebruiken, veel meer dan in het Nederlands. Hier volgt een vertalingsoefening, waarbij het gebruik van reflexieve voornaamwoorden bij verschillende werkwoorden voorkomt. Let er bijzonder op, om de juiste naamval voor het refexieve voornaamwoord te gebruiken.

Ik zag de trein naderen.

Zij hoorden de man zich verwijderen.

Help je jou daarmee?

We zullen ons weldra treffen.

Muizen vermeerderen sich snel.

Hij drukte zich van de muur af.

Ik verheug me daarop.

De wind verhevigde tot een storm.

 

In stap 12 komt het gebruik van de verschillende modale hulpwerkwoorden aan bod.




 
Lijst van alle stappen



 

Verantwoordelijkheid: Sebastian Norbert Hope, Niedersachsen, Deutschland (zie contact).