U bevindt zich hier: Lijst stappen Stap 10  

STAP 10

Hoofdaccent: verleden en toekomstige tijden

Indien u nog geen Duits spreekt of nog niet redelijk foutloos kan schrijven, is het aangewezen te starten met de inleidende algemene informatie en de eerste stap.

Veronderstel dat u een zakenreis plant en wegens de files op de autosnelwegen zoveel mogelijk gewone wegen wil gebruiken. U vraagt daartoe de mening van uw collega:

"Was halten Sie davon? Wir werden die Autobahnen nicht nutzen um den Staus zuvorzukommen."
[vas halthn zi: da:fon vɪɐ ve:ɐdn di: authoba:nən nɪçt nutsn um de:n ʃthaus tsu:fo:ɐtsu:khomən]

Tot nu toe hebben we steeds een werkwoord gebruikt in de tegenwoordige tijd. In deze stap zullen we de toekomende en de verleden tijd leren gebruiken.

SPRAAKKUNST

substantief:   is de naam die gegeven wordt aan een object (bv.: mens, voorwerp) of een niet materieel iets (bv.: gevoelens). Men noemt dit ook een zelfstandig naamwoord.

onderwerp:   veelal de persoon of voorwerp die/dat iets doet in de zin, of waarvan een eigenschap vermeld wordt. Staat in de naamval nominatief.

lijdend voorwerp:   de persoon of het voorwerp waarop de handeling in de zin uitgevoerd wordt. Staat in de naamval accusatief.

meewerkend voorwerp:   de persoon of het voorwerp die met het werkwoord meewerkt. Staat veelal in de datief of anders gekoppeld aan een voorzetsel.

voorzetsel:   een woord dat een bepaalde betrekking weergeeft tussen twee substantieven, of tussen een werkwoord en een substantief.

lidwoord:   een woord dat aan een persoon of een voorwerp voorafgaat en er "lid" van geworden is.

naamval:    de verandering in een woord (verbuiging) die bepaalt welke woordsoort (bv.: onderwerp, lijdend voorwerp) het woord in de zin is. Belangrijk in het Duits!

verbuigen:    is het aanpassen van het woord aan de noodzakelijke naamval. Een tussenwerpsel of een bijwoord worden nooit verbogen.

nominatief:    is de naamval die bepaalt welke persoon of welk voorwerp het "onderwerp" van de zin is.

accusatief:    is de naamval die bepaalt - onder andere - welke persoon of welk voorwerp het "lijdend voorwerp" van de zin is.

datief:    is de naamval die bepaalt welke persoon of welk voorwerp het "meewerkend voorwerp" van de zin is, of die verbonden is aan een bepaald voorzetsel.

voornaamwoord:    woord dat een persoon aanduidt zonder hem of haar expliciet te noemen. "Hem" en "haar", "ik", "jij", "hij", "zij" en zo meer zijn bijvoorbeeld voornaamwoorden.

Toekomende tijd

Een werkwoord vervoegen in de toekomene tijd verloopt parallel aan het Nederlands. In die taal verbuigt men het hulpwerkwoord "zullen", gevolgd door het werkwoord zelf. Bijvoorbeeld: "Ik zal werken". In het Duits gebruikt men echter het hulpwerkwoord werden [ve:ɐdn]. Op te merken valt, dat er geen verschil is tussen zwakke en sterke werkwoorden om hen in de toekomende tijd te vervoegen. Aldus steeds werden [ve:ɐdn] + werkwoord. Hier twee voorbeelden, een zwak werkwoord en een sterk werkwoord:

Persoon  hören  gehen 
ich
[ɪç
werde hören
[ve:ɐdə hø:rɐn
werde gehen
[ve:ɐdə ge:ən
du
[du:
wirst hören
[vɪɐst hø:rɐn
wirst gehen
[vɪɐst ge:ən
er
[e:ɐ
wird hören
[vɪrt hø:rɐn]  
wird gehen
[vɪrt ge:ən 
wir
[vi:ɐ
werden hören
[ve:ɐdn hø:rɐn
werden gehen
[ve:ɐdn ge:ən]  
ihr
[i:ɐ
werdet hören
[ve:ɐdət hø:rɐn
werdet gehen
[ve:ɐdət ge:ən]  
sie
[zi:
werden hören
[ve:ɐdn hø:rɐn]  
werden gehen
[ve:ɐdn ge:ən]  

Bemerkt u nu de toekomende tijd in de voorbeeldzin helemaal bovenaan deze stap: Wir werden nutzen
[ vɪɐ ve:ɐdn nutsn]?

 

Verleden tijd

Bij de regelmatige werkwoorden vormt men de verleden tijd door een -t- [th] toe te voegen tussen de stam van het werkwoord en de vervoeging in de tegenwoordige tijd. Maar bij de tweede persoon enkelvoud en meervoud voegt men een -te- [thə] ertussen. En bij de derde persoon enkelvoud vervangt men de uitgang -t [th] met -te [thə]. Een onderscheid zoals in het Nederlands tussen "t" en "d" in de vervoegingsuitgang van de verleden tijd - zoals "Ik werkte, ik mijmerde" - bestaat niet in het Duits. Dat maakt het al gemakkelijk. Hier een regelmatig werkwoord in de verleden tijd:

Persoon  hören 
ich
[ɪç
hörte
[hø:rthə
du
[du:
hörtest
[hø:rthəst
er
[e:ɐ
hörte
[hø:rthə
wir
[vi:ɐ
hörten
[hø:rthn
ihr
[i:ɐ
hörtet
[hø:rthət
sie
[zi:
hörten
[hø:rthn

Voor de speciale werkwoorden "zijn", "hebben" en "worden":

Persoon  sein  haben  werden 
ich
[ɪç
war
[va:ɐ
hatte
[hatə
wurde
[vuɐdə
du
[du:
warst
[va:rst
hattest
[hatəst
wurdest
[vurdəst
er
[e:ɐ
war
[va:ɐ
hatte
[hatə
wurde
[vurdə
wir
[vi:ɐ
waren
[va:rən
hatten
[hatn
wurden
[vurdn
ihr
[i:ɐ
wart
[va:rt
hattet
[hatət
wurdet
[vurdət
sie
[zi:
waren
[va:rən
hatten
[hatn
wurden
[vurdn

In stap 7 hebben we een aantal speciale aanpassingen voor regelmatige werkwoorden gezien in de tegenwoordige tijd. Gelijkaardige aanpassingen gelden in de verleden tijd. Als de stam van een Duits werkwoord namelijk eindigt op een "d" of een "t" zoals in "arbeiten" [arbaitn] (rollende "r" achteraan tegen de keelholte!!) en "baden" [ba:dn] dan plaatst men steeds een -e [ə] tussen de stam en de vervoeging in de verleden tijd.

Persoon  arbeiten  baden 
ich
[ɪç
arbeitete
[arbaihəthə
badete
[ba:dəthə
du
[du:
arbeitetest
[arbaithəthəst
badetest
[ba:dəthəst
er
[e:ɐ
arbeitete
[arbaithəthə
badete
[ba:dəthə
wir
[vi:ɐ
arbeiteten
[arbaithəthn
badeten
[ba:dəthn
ihr
[i:ɐ
arbeitetet
[arbaithəthət
badetet
[ba:dəthət
sie
[zi:
arbeiteten
[arbaithəthn
badeten
[ba:dəthn

Als de stam van een Duits werkwoord eindigt op een "m" of een "n" EN er net daarvoor een medeklinker staat, dan plaatst men steeds een "e" (dof uitgesproken) tussen de stam en de vervoeging in de verleden tijd. Even twee voorbeelden zien: "atmen" [a:tmən] en "rechnen" [rɛçnən].

Persoon  atmen  rechnen 
ich
[ɪç
atmete
[a:tməthə
rechnete
[rɛçnəthə
du
[du:
atmetest
[a:tməthəst
rechnetest
[rɛçnəthəst
er
[e:ɐ
atmete
[a:tməthə
rechnete
[rɛçnəthə
wir
[vi:ɐ
atmeten
[a:tməthn
rechneten
[rɛçnəthn
ihr
[i:ɐ
atmetet
[a:tməthət
rechnetet
[rɛçnəthət
sie
[zi:
atmeten
[a:tməthn
rechneten
[rɛçnəthn

Maar: als in het bovenstaande geval aan de "m" of de "n" een "L" of een "r" voorafgaat, dan voegt men geen extra doffe "e" in, en wordt de vervoeging normaal. Even twee voorbeelden zien: "lernen" [lɛrnən] en "qualmen" [kvalmən].

Uitspraaktip:Bemerk de speciale uitspraak van de geschreven "qu" in "qualmen". En let op die 'volle' "L"-uitspraak.

Persoon  lernen  qualmen 
ich
[ɪç
lernte
[lɛrnthə
qualmte
[kvalmthə
du
[du:
lerntest
[lɛrnthəst
qualmtest
[kvalmthəst
er
[e:ɐ
lernte
[lɛrnthə
qualmte
[kvalmthə
wir
[vi:ɐ
lernten
[lɛrnthn
qualmten
[kvalmthn
ihr
[i:ɐ
lerntet
[lɛrnthət
qualmtet
[kvalmthət
sie
[zi:
lernten
[lɛrnthn
qualmten
[kvalmthn

Sterke (onregelmatige) werkwoorden

In elke taal zijn er werkwoorden die met hun vervoeging afwijken van het normale. Dat noemen we "sterke werkwoorden" of ook wel onregelmatige werkwoorden. Jammer genoeg zijn er heel veel dergelijke werkwoorden in het Duits, bijna 300! Drie ervan kennen we reeds: "sein" [zain], "haben" "[ha:bn]" en "werden [ve:rdn].

Alle sterke werkwoorden en werkwoorden die zich soms als sterk (onregelmatig) en soms als zwak (regelmatig) gedragen, kan u met hun eigene verbuiging terugvinden op deze lijst. Open alvast dat venster. In de algemene lijsten die u in dat venster terugvindt, kan u het werkwoord in de eerste kolom aanklikken. Dan verschijnt de gedetailleerde vervoeging ervan. Bekijk daar vooral de bovenste tabel "Aantonende wijs" en de tweede kolom "Onvoltooid verleden". Lees rustig eerst even de tekst boven deze tabel, indien er een tekst daarboven voorkomt. Dan weet u wanneer het werkwoord zwak en wanneer sterk verbogen wordt. Staat er geen tekst boven, dan wordt het werkwoord steeds sterk verbogen. Begrijpt u nog niet alles in die teksten, heb geduld... dat wordt allemaal nog wel klaar. Probeer het alvast even te verstaan, en... probeer vooral elk werkwoord uit te spreken.

Tip:Vertrouw op de lijst van sterke werkwoorden op de aangegeven link hierboven. In vele woordenboeken Duits-Nederlands of omgekeerd worden lijsten van sterke werkwoorden in aanhangels gegeven. Deze lijsten zijn niet zelden verouderd, waarbij werkwoorden sterk vervoegd worden daar, waar die in het huidige Duits niet meer sterk maar zwak vervoegd worden (een taal is immers levendig en verandert doorheen de tijd). Daarom: gebruik de lijst in de link bovenaan. [Uit ervaring weet ik dat van vele Duitse taalboeken, meestal alleen de uitgaven van Duden (zie referentiewerken) en de allerlaatste uitgave van Wahrig betrouwbaar zijn wat de sterke werkwoorden betreft.]

Hoe kan u nu duidelijkheid bekomen in dit woud van sterke werkwoorden? Jammer... een eenvoudig antwoord is niet te geven. Ga een voor een de sterke werkwoorden na en probeer u de verleden tijd eigen te maken. Er is geen andere uitweg om deze vervoegingen te kennen, jammer!

Het zal u wellicht opvallen, dat de verandering van klinker in de stam van het werkwoord bij de verleden tijd vaak dezelfde verandering is als in het Nederlands. Bijvoorbeeld: geven "hij gaf" en geben [ge:bn] "er gab [e:ɐ ga:p]". Maar bij heel veel sterke werkwoorden wordt in het Duits een heel andere klinker gebruikt voor de stam van het werkwoord in de verleden tijd. Probeer ze op te sporen en er waakzaam voor te zijn.

In stap 11 zullen we een oefening hierop maken.

Tot slot: de vertaling van de laatste oefening uit stap 9:

Morgen fahre ich zu einem Freund, um ihn zu besuchen. Zusammen begehen wir dann die Ferien. Vielleicht benutzen wir auch noch den Computer. Er kauft immer wieder Sotware um einzuüben. Ich helfe immer Freunden, um Neuigkeiten zu lernen. Danach besuchen wir dann die Stadt und genießen. Hast du Lust um mitzufahren?




 
Lijst van alle stappen



 

Verantwoordelijkheid: Sebastian Norbert Hope, Niedersachsen, Deutschland (zie contact).


 

stap 11